Ford ietsje minder fout in de oorlog dan gedacht
Een klein berichtje in het economie-katern van NRC op 7 december 2001: 'Ford
betreurt fabriek tijdens Nazi-regime.' Na 3,5 jaar onderzoek is Ford tot de
conclusie gekomen 'dat de onderneming niet heeft geprofiteerd van een Duitse
fabriek waar mensen aan het werk werden gesteld tijdens het Nazi-regime.'
Ford zou zijn gedwongen arbeiders in te zetten en was er lange tijd van beschuldigd
hier munt uit te hebben geslagen. Blijkt allemaal niet waar te zijn, het moederbedrijf
in de VS had er niets mee te maken en doneert 'desalniettemin' 4 miljoen dollar
voor nieuw onderzoek naar dwangarbeid. Einde bericht.
door Patrick Pubben
Een van de betrokkenen bij het onderzoek was Simon Reich, professor voor
Public and International Affairs in Pittsburgh, VS, die al eerder publiceerde
over Fords geschiedenis in Engeland en Duitsland in de jaren '30 en '40. Hij
hield zich echter uitsluitend bezig met de vraag of het moederbedrijf Ford
financieel direct voordeel had bij de gang van zaken in de jaren '30 en '40
in Duitsland. Het is goed mogelijk dat dit niet het geval is geweest. Blijven
echter een paar noemenswaardige feiten die het bedrijf toch in een ander daglicht
plaatsen en die het woord 'betreurt' uit de NRC-kop relativeren zoniet belachelijk
maken.
In 1938 accepteert Henry Ford, grondlegger van het concern en belijdend antisemiet,
van de Duitse autoriteiten de hoogste onderscheiding voor buitenlanders, het
Grootkruis van de Duitse Adelaar. Ford was voorzitter van het America First
Committee dat zijn uiterste best deed om Amerika buiten de Tweede Wereldoorlog
te houden. Tot Pearl Harbor, december 1941, het moment waarop de VS de oorlog
verklaarden aan Japan en daarmee aan Duitsland, maakte het bedrijf in Duitsland
grote winsten met de productie van oorlogsmaterieel voor het Duitse leger.
Volgens een rapport van het Amerikaanse leger uit 1945 begon het bedrijf ruim
voor de tijd dat het volgens Ford door de Duitse regering werd geconfisceerd
op grote schaal voertuigen te produceren die uitsluitend militaire doelen
dienden. Vanaf 1941 legde het zich enkel hier op toe.
Simon Reich stelt dat Ford werd gedwongen om een raad van bestuur aan te stellen
die enkel uit pro-Nazi managers bestond maar de claim van huidige Ford-woordvoerders
dat het bedrijf daarmee geconfisceerd zou zijn, is overdreven, gezien het
feit dat het moederbedrijf in de VS altijd een aandelenbelang van 52 procent
behield. Dit wordt ook door Reich niet bestreden. Hij meent dat dit komt omdat
het management de benoeming in 1939 van de nazigezinde Robert Schmidt als
bedrijfsleider niet aanvocht. De Nazi's lieten het beheer van Ford in zijn
handen, ook nadat ze het bedrijf in 1942 in trusteeship plaatsten.
De feiten laten zien dat Ford er alles aan deed om de Duitse regering gewillig
te zijn, Hitler ontving op zijn verjaardag in 1939 een gift van 35.000 Reichsmark,
het bedrijfsblad was in-en-in nazistisch, het moederbedrijf in Dearborn correspondeerde
tenminste tot juli 1942 geregeld met Schmidt en Dolfuss, bedrijfsleider van
Ford in het bezette Frankrijk, over hoe de zaken liepen. De Fords feliciteerden
hen met het goede werk dat ze verrichtten in deze moeilijke tijden. Na de
oorlog werd Schmidt eerst korte tijd gevangen gehouden door de Amerikanen.
In 1950 keert hij echter terug in een hoge positie bij Ford in Keulen en blijft
daar tot zijn dood in 1962. Het grootste voordeel dat Ford had door de poorten
in Duitsland niet te sluiten en zich op geen enkele wijze te verzetten tegen
het produceren van oorlogsmaterieel, is dat het de draad na 1945 eenvoudig
kon oppakken.
Het laatste woord in deze zaak is nog niet gesproken, vooral omdat veel documenten
uit de archieven van Ford nog niet openbaar zijn. Ford produceerde zowel voor
de geallieerden als voor de nazi's en als het bedrijf dit thans betreurt,
is dat een fraai staaltje van achteraf-hypocrisie waar NRC best wat meer aandacht
aan had mogen schenken.
bronnen
Simon Reich, The Ford Motor Company and the Third Reich, Dimensions Vol 13,
nr. 2, www.adl.org/braun/dim_13_2_ford.html
Ken Silverstein, Ford and the Führer, The Nation 24/01/2000, www.past.thenation.com/issue/000124/0124silverstein.shtml