De Vloek van Columbus
Van Kolonialisme tot de Nieuwe Wereldorde
Het Jaar 501, De Verovering Gaat Door
Noam Chomsky, Copyright © 1993
Vertaling van het eerste hoofdstuk van "The Year 501"
De Verheven Missie van Onderwerping en Verovering
Oude Wijn, Nieuwe Zakken
Verscheen als bijlage bij Extra! nr. 8 en 9.
1. "De Beestachtige Onrechtvaardigheid van de Europeanen"
2. "Het Vellen van Bomen en Indianen"
3. Ongeëvenaarde goedertierendheid
2. "Het Vellen van Bomen en Indianen"
De Engelse kolonisten gingen in Noord-Amerika op dezelfde voet verder als hun voorgangers in het land van herkomst. Vanaf de eerste dagen der kolonisatie was Virginia een centrum van zeeroverij en plundering, een basis van waaruit de Spaanse handel en de Franse nederzettingen aan de kust van Maine werden geplunderd en van waaruit de uitroeiing van de Indianen begon. De "duivelsaanbidders" en "wrede beesten" door wiens edelmoedigheid de eerste kolonisten in staat waren geweest om te overleven. Men maakte jacht op hen met honden, slachtte vrouwen en kinderen af, vernietigde oogsten en deelde met pokken geïnfecteerde dekens uit etc. Aan het einde van de 17e eeuw waren Noordamerikaanse piraten zelfs actief in de Arabische zee. Tegen die tijd "was New York een dievenmarkt geworden waar de piraten de op verre zeeën geroofde buit van de hand deden," merkt Nathan Miller op, waar "corruptie (...) het smeermiddel was voor de administratieve machinerie van het land"; "politiek gekonkel en corruptie speelden een cruciale rol in de ontwikkeling van de moderne Amerikaanse maatschappij en voor het creëren van de complexe, in elkaar grijpende machinerie van overheid en zakenleven die op dit moment zo bepalend is voor de gang van zaken," schrijft Miller ten tijde van de Watergate affaire, ter nuancering van de bespottelijke reacties van ongeloof en ontzetting.25
Bij de consolidatie van de staatsmacht werd het geweld van de privé-sector onderdrukt ten gunste van de beter georganiseerde staatsvorm, alhoewel de VS niet toestonden dat wegens slavenhandel opgepakte Amerikaanse burgers werden veroordeeld door buitenlandse rechtbanken. Dat was geen onbelangrijke zaak; de Britse marine kreeg geen toestemming Amerikaanse slavenhandelaren op te sporen, "en Amerikaanse marineschepen deden dit evenmin met als gevolg dat de meeste slavenschepen, rond 1850, niet alleen onder Amerikaanse vlag voeren, maar ook het eigendom waren van Amerikanen." Om het enigszins in perspectief te plaatsen. Het zou voor de VS volslagen onacceptabel zijn om de beschuldigingen voor te leggen aan het Internationaal Gerechtshof of een ander neutraal tribunaal, zoals dat bijvoorbeeld door Muammar Khaddafi in 1992 werd aangeboden omtrent de vermeende betrokkenheid van Libië bij terroristische activiteiten. Dat voorstel werd overigens door Washington en de media vol minachting van tafel geveegd, daar zij weinig vertrouwen hebben in instituten die mogelijker wijze zouden kunnen vervallen in een al te grote onafhankelijkheid.26
Nadat de VS hun onafhankelijkheid veroverden, - in de loop van het enorme internationale conflict waarin Engeland vocht tegen Frankrijk, Spanje en Holland - werd de staatsmacht ingezet ter bescherming van de eigen industrie, ter bevordering van agrarische productie, manipulatie van handel, monopolisering van grondstoffen, en voor het afnemen van het land van haar oorspronkelijke bewoners. De Amerikanen "legden zich toe op het vellen van bomen en Indianen en het uitzetten van haar natuurlijke grenzen," zoals diplomatiek-historicus Thomas Bailey het project beschrijft in 1969.27
In het heersende klimaat van Politieke Correctheid worden deze gebeurtenissen, en de retorische toonzetting als heel gewoon gezien; dat er de afgelopen jaren enkele vraagtekens hierbij zijn geplaatst, heeft een enorme verontwaardiging losgemaakt onder de bewakers van de dogmatische zuiverheid. Hugo de Groot, een vooraanstaand humanist uit de 17e eeuw en grondlegger van het moderne internationaal recht, stelde vast: "de meest rechtvaardige oorlog is tegen wilde beesten, direct daarna tegen mensen die zijn als beesten." George Washington schreef in 1783 dat "de geleidelijke uitbreiding van onze nederzettingen er zeker toe zal leiden dat de wilde, net als de wolf, zich zal terugtrekken; beiden zijn roofdieren, alhoewel ze in uiterlijk verschillen." George Washington, die in de huidige retoriek 'een pragmaticus' genoemd zou worden, beschouwde de aankoop van het land van de Indianen (meestal door middel van fraude en bedreigingen) als een meer efficiënte methode dan het gebruik van geweld. Thomas Jefferson deed de voorspelling tegenover John Adams dat de "achterlijke" stammen aan de grenzen, zullen vervallen in "barbaarsheid en ellende, in grote getale zullen sterven aan oorlog en armoede, (...) we zullen genoodzaakt zijn hen te verdrijven, te samen met de beesten uit het woud, naar de 'Stony mountains'." Soortgelijke plannen had hij voor Canada, als ze dat eenmaal zouden hebben veroverd, tegelijkertijd zouden alle zwarten verwijderd moeten worden naar Afrika of het Caraïbisch gebied, zodat het land vrij zou zijn van "vlekken en vermenging." Een jaar na de Monroe doctrine riep de President op tot hulp aan de Indianen "om ervoor te zorgen dat ze hun vooroordelen over het land waar ze geboren zijn loslaten," zodat "wij hun daadwerkelijke weldoeners worden" door ze te verplaatsen naar het Westen. Wanneer zij hun "vooroordelen" niet loslieten dan werden ze door middel van geweld verwijderd. Het geweten werd nog meer gesust door de ontwikkeling van wettelijke principes door Hoge rechter John Marshall: "ontdekking geeft het exclusieve recht het Indiaanse recht op bezetting te niet te doen, dit geldt voor aankoop of verovering"; "de wet welke reguleert, en in het algemeen ook dient te reguleren, de verhoudingen tussen de veroveraar en veroverde was onmogelijk om toe te passen (...) op de Indianenstammen, (...) woeste wilden wiens bezigheid oorlog was, en die zich voornamelijk voorzagen in hun onderhoud door middel van de jacht."
De kolonisten wisten wel beter, daar is geen twijfel over. Hun overleving was afhankelijk van de uitzonderlijke landbouwkundige kennis en de ruimhartigheid van de "woeste wilden". Bovendien waren ze zich zeer bewust van de heersende normen omtrent geweld van beide kanten. Roger Williams, die getuige was van de Narragansett-Pequot oorlogen, merkte op dat hun manier van vechten "veel minder bloeddorstig en verslindend was dan de wrede Oorlogen van Europa," waar de kolonisten het vak hadden geleerd. John Underhill bespotte de "slappe Manier" van de Indiaanse krijgers, dat "eigenlijk de Naam Vechten niet verdiende," en hun belachelijke protesten tegen de "woeste" stijl van de Engelsen waarbij "te veel mannen worden gedood" - om maar niet te spreken van de vrouwen en kinderen in onverdedigde dorpen, een Europese tactiek waar de achterlijke inboorlingen nog veel van konden leren. Dit zijn de algemene karakteristieken van de wereldverovering, zoals al eerder opgemerkt.
De bruikbare principes van Rechter Marshall en anderen hebben een plaats gevonden in de moderne wetenschap. De zeer geachte autoriteit A.L. Kroeber schreef aan de Indianen van de Oostkust een manier van oorlogvoeren toe "die krankzinnig en oneindig was," onbegrijpelijk "vanuit ons gezichtspunt" en zo "sterk benadrukt in [hun cultuur] dat ontsnapping eraan bijna onmogelijk was," wanneer een stam afstand zou nemen van deze afschuwelijke normen dan was deze "vrijwel zeker gedoemd tot voortijdige uitsterving." Francis Jennings merkt hierover op dat deze "scherpe veroordeling meer van betekenis zou zijn (...) als de retoriek ondersteund zou worden met voorbeelden of verwijzingen," in een wetenschappelijke studie die zo invloedrijk is. De Indianen waren nou niet wat je noemt pacifisten, maar de technieken van de "totale oorlog" en daadwerkelijke beestachtigheid moesten ze nog leren van de Europese veroveraars, die al ruime ervaring hadden opgedaan in de Keltische regionen en in andere gebieden.28
De gerespecteerde staatsmannen zetten de lijn door in het handhaven van dezelfde normen en waarden. Voor Theodore Roosevelt, - de held van George Bush en de liberale journalisten die op sentimentele wijze dweepten met het plichtsbesef van Bush voor de "rechtvaardige missie" tijdens de Golfoorlog slachtingen in 1991, - "was de rechtvaardigste oorlog aller oorlogen, een oorlog tegen wilden," voor de vestiging van de overheersing van "de dominante wereldrassen." De afschuwelijke en laffe Sand Creek slachting in Colorado in 1864, vergelijkbaar met de beestachtigheid van de Nazi's, was "de rechtvaardigste en weldadigste gebeurtenis die ooit plaatsvond aan de frontier." Deze "edelmoedige missionaris", zoals hedendaagse ideologen hem noemen, beperkte zijn visie niet tot de "prooidieren" die uit hun holen werden gejaagd binnen de "natuurlijke grenzen" van de Amerikaanse natie. Tot de rijen der wilden behoorden ook de "dagos" in het zuiden, en de "Maleisische bandieten" en "Chinese halfbloedjes" die zich verzetten tegen de Amerikaanse verovering van de Filippijnen, allemaal "wilden, barbaren, een woest en dom volk, Apaches, Sioux, Chinese boxers," zoals hun verzet overduidelijk aantoonde. Winston Churchill was een groot voorstander van het gebruik van gifgas tegen "onbeschaafde stammen" (Koerden en Afghanen, in het bijzonder). Dat de Britse diplomaten hadden weten te voorkomen dat het bombarderen van burgers niet werd verboden tijdens de ontwapeningsconventie in 1932, ontlokte een goedkeurende opmerkend van de evenzozeer gerespecteerde staatsman Lloyd George die opmerkte, "we hielden vast aan het recht om negers te bombarderen." Waarmee hij op beknopte wijze de kern onder woorden bracht. De metaforen van de "Indianen gevechten" waren nog springlevend tijdens de oorlogen in Indochina. De conventies zijn nog immer van kracht, zoals bleek in 1991, en wie weet hoe lang dat nog zal doorgaan.29
De buitengewone mogelijkheden van de Verenigde Staten waren vanaf het begin duidelijk en baarden de bewakers van de toenmalige gevestigde orde grote zorgen. De Tsaar en diens diplomaten waren bezorgd over "de verspreiding van de revolutionaire principes," die "noch door afstand noch door natuurlijke barrières konden worden tegengehouden." Zij verwezen naar de "verdorven principes" van republicanisme en zelfbestuur door het volk die in sommige delen van Noord-Amerika al werden toegepast. Ook Metternich waarschuwde voor "de vloed van kwaadaardige ideeën en verderfelijke voorbeelden" die mogelijkerwijze "nieuwe kracht kan geven aan de apostelen der revolutie" en hij vroeg zich af "wat er van onze religieuze instituten, van de morele kracht van onze overheden en van het conservatieve systeem dat Europa heeft gered van de totale ontbinding zou worden" als deze vloed niet wordt gekeerd. Het bederf van de goede zeden zou zich kunnen verspreiden, in de woorden van de erfgenamen die het leiderschap overnamen van het conservatieve systeem in het midden van de 20ste eeuw.30
Deze ideeën en voorbeelden betekenden, ondanks al hun tekortkomingen, een historische stap voorwaarts in de strijd voor vrijheid en rechtvaardigheid en de Wijze Mannen van die tijd waren dan ook met recht bang voor de verspreiding ervan. De 18de eeuwse pleitbezorgers van deze ideeën - de oude aristocratie en, daarna, de opkomende ondernemersklasse - konden echter nauwelijks van revolutionaire sentimenten worden beticht. Ze drukten er onmiddellijk hun ideeën door over "een door een elite gemanipuleerde politieke democratie" aldus Richard Morris die daar instemmend aan toevoegt dat een "betrouwbaar en verantwoordelijk leiderschap het roer over nam." De angst voor de gevreesde revolutie was daarmee snel voorbij. De voormalige revolutionairen waren tevens zeer doortastend. Net als Metternich en de Tsaar waren ze bang voor de "verderfelijke voorbeelden" aan hun grenzen. Zo werd Florida veroverd om een einde te maken aan het gevaar dat de "gemengde bendes van wetteloze Indianen en negers" vormden, schreef John Quincy Adams met enthousiaste instemming van Thomas Jefferson. Hij doelde op de weggelopen slaven en de oorspronkelijke bewoners die onder het juk van de tirannen en de veroveraars trachten uit te komen en daarmee een slecht voorbeeld gaven. Jefferson en anderen waren voorstanders van de verovering van Canada om een einde te maken aan de steun van "minderwaardige Canadese duivels," - zoals de president van de Universiteit van Yale ze noemde - aan de oorspronkelijke bewoners. Expansie in noordelijke en zuidelijke richting werd door de Britten tegengehouden, maar de annexaties in Westelijke richting gingen onverbiddelijk door, een proces waarin de oorspronkelijke bevolking werd vermoord, op cynische wijze bedrogen en verdreven.31
"De missie van het vellen van bomen en Indianen en het uitzetten van de natuurlijke grenzen," maakte het noodzakelijk dat de Nieuwe Wereld werd bevrijd van buitenlandse concurrenten. De belangrijkste vijand was Engeland, een machtige en afschrikwekkende opponent die in brede kringen kon rekenen op bittere haatgevoelens. De Onafhankelijkheidsoorlog was een hevige burgeroorlog ingebed in een internationaal conflict. De hoeveelheid slachtoffers was verhoudingsgewijs vrijwel net zo groot als tijdens de Burgeroorlog een eeuw later. Toen de strijd gestreden was kwam er, uit angst voor de wraak van de overwinnaars, een gigantische vluchtelingenstroom op gang. Het einde van het conflict tussen de Verenigde Staten en Engeland was nog lang niet in zicht en leidde in 1812 opnieuw tot een oorlog. In 1837, als reactie op (zeer beperkte) Amerikaanse steun aan een opstand in Canada, trokken Engelse troepen de grens over en schoten een Amerikaans schip, de Caroline, in vlammen. Dit bracht de Minister van Buitenlandse zaken Daniel Webster er toe het principe te formuleren dat de grondslag is geworden van het moderne internationale recht: "respect voor de territoriale onschendbaarheid van onafhankelijke staten is de belangrijkste grondslag van de beschaving." Geweld is alleen gerechtvaardigd in het geval van zelfverdediging, d.w.z. als er een "onmiddellijke en dwingende noodzaak bestaat die geen andere opties of overwegingen toelaat." Men beriep zich onder andere op dit principe tijdens het proces van Neurenberg, ter verwerping van de bewering van de Nazi-leiders dat hun invasie van Noorwegen was gerechtvaardigd om militaire operaties van de geallieerden te verhinderen. We hoeven geen woorden te verspillen aan hoe de Verenigde Staten zich sinds 1837 aan dit principe hebben gehouden.32
Het conflict tussen de Verenigde Staten en Engeland was het gevolg van de grote belangen die op het spel stonden. De Verenigde Staten wilden hun invloedssfeer op het continent en in het Caraïbisch gebied uitbreiden. De toenmalige dominante wereldmacht zag in dit streven een serieuze bedreiging voor de Engelse rijkdom en macht.
Hoewel in Engeland de nodige sympathie bestond voor de opstandelingen, dachten de leiders van het nieuwe onafhankelijke land daar geheel andere over. Groot-Brittannië "haatte en minachtte ons boven alles," schreef Thomas Jefferson in 1816 aan Monroe, hetgeen de Amerikanen "meer reden tot haat jegens Engeland gaf dan welk ander land dan ook." Groot-Brittannië was niet alleen een vijand van de Verenigde Staten, maar "daadwerkelijk hostis humani generis," een vijand van de mensheid schreef hij een paar weken later aan John Adams. De Engelsen wordt van kinds af aan geleerd ons te minachten, te beledigen en te mishandelen," was het antwoord van Adams, "Groot-Brittannië zal nimmer onze vriend zijn tenzij we haar de baas worden." Jefferson had een heel andere verklaring waarvan hij Abigail Adams in 1785 deelgenoot maakte: "ik denk dat het ligt aan de hoeveelheid dierlijk voedsel die de Engelsen nuttigen," speculeerde hij, "waardoor ze niet open staan voor beschaving. Ik vermoed dat niet hun geloof maar hun eetpatroon de sleutel is tot hun heropvoeding." Tien jaar later gaf hij uiting aan zijn vurige hoop dat de Franse legers Groot-Brittannië zouden bevrijden om zodoende de kookkunst en dus het karakter van de Engelsen te verbeteren.33
De Amerikaanse afkeer en verachting werd beantwoord. In 1865 kwam een vooruitstrevende Engelsman met het voorstel om aan de Universiteit van Cambridge een leerstoel voor Amerikaanse studies in het leven te roepen die om het jaar door een gastdocent van Harvard zou moeten worden bekleed. Het bestuur van de universiteit van Cambridge protesteerde tegen wat één van hen met aanzienlijke literaire flair, "een twee-jaarlijkse flits van Transatlantische duisternis" noemde. Sommigen vonden dat men zich overdreven zorgen maakte. Zij zagen in dat de gastdocenten zelf afkomstig waren uit de klasse die "in toenemende mate het gevaar loopt overrompeld te worden door de lagere elementen van een enorme democratie." Maar de meesten waren bang dat de colleges "ontevredenheid en gevaarlijke ideeën" zouden verspreiden onder de weerloze studenten. Dit gevaar werd bezworen met een vertoon van het soort politieke correctheid dat zelfs nog tot op de dag van vandaag de academische wereld domineert. Zij is noch immer op de hoede voor de lagere elementen en hun vreemde ideeën.34
Daar de democraten onder president Jackson onder ogen zagen dat de Engelsen met militaire middelen niet waren te verslaan, riepen ze op tot annexatie van Texas om zodoende het monopolie op katoen te verkrijgen. De VS zouden hiermee in staat zijn om Engeland te verlammen en Europa te intimideren. "Door het veilig stellen van het feitelijke monopolie van de katoenplant" hadden de VS "meer invloed op het wereldgebeuren" verkregen "dan met het grootste en sterkste leger mogelijk zou zijn geweest," aldus President Tyler na de annexatie en verovering van één derde van Mexico. "Door dit monopolie, nu veiliggesteld, liggen alle andere landen aan onze voeten," schreef hij: "Een embargo van slechts één jaar zou in Europa meer leed veroorzaken dan een oorlog van vijftig jaar. Ik betwijfel of Groot-Brittannië onrust zal kunnen vermijden."
De redacteur van de New York Herald, de krant met de grootste landelijke oplage, juichte dat Groot-Brittannië "volledig aan handen en voeten was gebonden door de katoendraden" van de Verenigde Staten, "een wapen waarmee we succesvol controle kunnen uitoefenen" over deze gevaarlijke rivaal. Dankzij de veroveringen waardoor Amerika het monopolie had gekregen op het belangrijkste handelsproduct ter wereld kon de regering Polk snoeven dat de VS nu "in staat waren de wereldhandel te controleren en zich hierdoor hadden verzekerd van de daarmee voor de Amerikaanse Unie verbonden politieke en commerciële voordelen." "Binnen vijftig jaar zal het lot van de mensheid in onze handen liggen," verklaarde een afgevaardigde uit Louisiana, terwijl hij en anderen uitzagen naar de "heerschappij over de Stille Oceaan" en het beheer over de grondstoffen waarvan Europa afhankelijk was. De minister van Financiën onder President Polk verklaarde tegenover het congres dat de veroveringen van de Democraten "de beheersing van de wereldhandel" zouden garanderen.
De nationale dichter, Walt Whitman, schreef dat onze veroveringen "een bevrijding betekenden van de ketenen welke de mens de gelijke kans ontnemen om gelukkig en goed te zijn." De overname van Mexicaans land was een weldaad voor de mensheid: "Wat heeft het armzalige, inefficiënte Mexico (...) te maken met de grootse missie van het bevolken van de Nieuwe Wereld met een nobel ras?" Anderen onderkenden het probleem dat je door de overname van Mexico's grondgebied tevens zit opgescheept met "imbeciele" Mexicanen die waren "gedegradeerd" door "de vermenging van rassen". De New Yorkse pers was niettemin hoopvol gestemd dat hun lot "vergelijkbaar" zou zijn "met dat van de Indianen van dit land en dat het ras binnen een eeuw zal zijn uitgestorven." Door te schrijven dat de annexatie van Texas de gewoonste zaak van de wereld was bracht Ralph Waldo Emerson de gangbare ideeën over lotsbestemming onder woorden; "Het staat vast dat het sterke Britse ras dat nu het overgrote deel van dit continent onder de voet heeft gelopen ook dit gebied onder de voet moet lopen, evenals Mexico en Oregon en over een paar eeuwen zal het nog maar van weinig belang zijn door middel van welke specifieke gebeurtenissen of methoden dit is gerealiseerd." Joel Poinsett, de Minister voor Mexico en later als Minister van Oorlog verantwoordelijk voor het de dood injagen van de Cherokees tijdens hun 'Trail of Tears', verklaarde in 1829 tegenover Mexico dat "de Verenigde Staten zich in een toestand van progressieve expansie bevinden die zijn weerga in de geschiedenis niet kent." Volgens deze slavenhouder uit South Carolina was dat ook terecht omdat "het grootste deel van de bevolking beter is opgeleid en een hoger moreel en intellectueel niveau heeft dan welk ander volk dan ook. Als dat haar politieke situatie is, is het dan denkbaar dat haar vooruitgang wordt vertraagd of haar expansiedrift beknot door de toenemende welvaart van Mexico?" Dat een onafhankelijk Texas het grondstoffenmonopolie van de VS zou kunnen doorbreken en een rivaal zou kunnen worden was niet de enige angst van de expansionisten. Texas zou ook wel eens de slavernij kunnen afschaffen waardoor er een gevaarlijke vonk zou kunnen overslaan naar omliggende landen. Andrew Jackson dacht dat een onafhankelijk Texas, met een gemengde bevolking bestaande uit Indianen en gevluchte slaven, onder druk van Groot-Brittannië "het hele westen in vuur en vlam zou zetten." Opnieuw zouden de Britten "gemengde troepen van wetteloze Indianen en negers" in een "beestachtige strijd" tegen de "vredelievende inwoners" van de Verenigde Staten werpen. In 1827 meldde Poinsett aan Washington dat "halfbloed" en leider van de Cherokee, Richard Fields en de "beruchte" John Hunter "een rood-witte vlag hadden gehesen" om een "unie van blanken en Indianen" tot stand te brengen in Texas; Hunter was een blanke die was opgevoed door de Indianen en die naar het Westen terugkeerde om een genocide te voorkomen. De Britten keken eveneens met zekere interesse naar hun "Republiek Fredonia." Stephen Austin, die aan het hoofd stond van een blanke kolonie, waarschuwde Hunter dat zijn plannen krankzinnig waren. Als de republiek gesticht zou worden, dan zouden Mexico en de VS hun krachten bundelen om "een dergelijke gevaarlijke en lastige buur te vernietigen," en ze zouden alleen tevreden zijn met "totale uitroeiing of verdrijving." "De VS zouden het land spoedig van de Indianen ontdoen en een nieuw hoofdstuk toevoegen aan hun traditie van het ten gronde richten en uitroeien van Indianen." Washington zou, kortom, doorgaan met haar beleid van genocide (zoals men dat tegenwoordig noemt), en een einde maken aan "deze waanzin" van een vrije rood-blanke samenleving. Austin had, voordat hij de opstand neersloeg, waarbij Hunter en Fields werden vermoord, zijn eigen kolonie al met succes ontdaan van "de wilden uit het bos".35
De argumentatie voor de annexatie van Texas was in wezen vergelijkbaar met de door de VS-propaganda aan Saddam Hoessein toegeschreven argumenten voor de verovering van Koeweit. Al mag de vergelijking niet al te ver worden doorgetrokken. In tegenstelling tot zijn 19e eeuwse Amerikaanse voorlopers staat Saddam Hoessein er niet om bekend dat hij bang was dat de slavernij in Irak werd bedreigd door onafhankelijke buurstaten, of dat hij in het openbaar opriep tot "het uitroeien" van de "achterlijke inwoners" opdat de "verheven missie van het bevolken van het Midden-Oosten met een edel ras" voortgezet kan worden, een missie die "het lot van de mensheid in handen" van de veroveraars legt. En zelfs in de wildste fantasieën was Saddam Hoessein's eventuele controle over olie onvergelijkbaar met de controle die de Amerikaanse expansionisten van rond 1840 nastreefden over de belangrijkste grondstof van toen.
3. Ongeëvenaarde goedertierendheid
Na de veroveringen in de 19e eeuw, merkte de New Yorkse pers vol trots op dat de VS de "enige macht waren die nooit hebben geprobeerd, en nooit zullen proberen om één vierkante meter gebied te verkrijgen met behulp van wapens"; "Van alle uitgestrekte gebieden van onze grootse federatie waarover de met sterren bezaaide vlag wappert, werd niet één vierkante meter verkregen door middel van geweld of bloedvergieten." Die Indianen die het hadden overleefd werden niet om hun mening gevraagd, noch anderen. De VS zijn uniek omdat zij zich louter "op eigen kracht uitbreiden." Dat ligt ook voor de hand, omdat "alle andere rassen (...) moeten buigen en verdwijnen" wanneer zij te maken krijgen met "de door het Angelsaksische ras te volbrengen verheven missie van onderwerping en verovering," een verovering zonder geweld. Hedendaagse vooraanstaande historici nemen dit vleiende zelfbeeld over. Samuel Flagg Bemis beschreef het in 1965 als volgt: "Amerikaanse expansie over het nagenoeg verlaten continent heeft geen enkel volk op onterechte wijze beroofd." Niemand vond het immers onterecht dat de Indianen, net als bomen, werden "geveld". Eerder al had Arthur M. Schlesinger president Polk "één van de ten onrechte in vergetelheid geraakte mannen uit de Amerikaanse geschiedenis" genoemd: "Door de vlag naar de Stille Oceaan te brengen heeft hij Amerika haar continentale breedte gegeven en haar verzekerd van haar toekomstige betekenis in de wereld," een realistische inschatting, maar misschien niet geheel in de zin zoals Schlesinger het bedoelt.36
Dit ideeëngoed had moeite om de culturele reveille van de 60-er jaren te overleven. Dit gold echter niet binnen de intellectuele klasse door welke we regelmatig worden getrakteerd op oraties over hoe "de Verenigde Staten de oorspronkelijke idealen van de verlichting al 200 jaar nagenoeg ongeschonden in ere houden (...) en, vooral, de universaliteit van deze waarden" (Michael Howard, om er slechts één te noemen). "Alhoewel we reiken naar de sterren en de volkeren die het minder goed hebben getroffen constant overstelpen met onze ongeëvenaarde goedertierenheid, worden onze bedoelingen zeer slecht begrepen en onze militaire intenties op brede schaal gewantrouwd," schreef Richard Morris in 1967. Nog zo'n voornaam historicus die zijn hoofd breekt over het "treurige" fenomeen dat anderen niet in staat zijn de grootmoedigheid van onze bedoelingen in Vietnam te begrijpen, een land dat "wordt verscheurd door interne subversie en buitenlandse agressie" (dat wil zeggen, door Vietnamezen). Schrijvend over het "zelfbeeld van de Amerikanen" doet Richard Bernstein de verontrustende constatering dat "menig Amerikaan die opgroeide tijdens de roerige jaren zestig nooit meer het vertouwen, dat daarvoor nog wijdverbreid was, in de wezenlijke goedheid van Amerika en de Amerikaanse regering heeft teruggekregen." Dit is sindsdien een bron van grote zorg voor de cultuurmanagers.37
Dit soort patronen zijn sinds de vroege veroveringen diep geworteld en vormen tot de dag van vandaag het fundament van onze cultuur. Terwijl de slachtingen van de Indiaanse bevolking door de Guatemalteekse militairen bijna een genocidaal niveau bereikten, liet Ronald Reagan het congres weten, waarbij hij en zijn ambtenaren de moordenaars prezen als vooruitstrevende democraten, dat de VS hen van wapens zouden voorzien "om de verbetering van de mensenrechtensituatie na de coup van 1982 te ondersteunen." De coup die Ríos Montt aan de macht bracht, waarschijnlijk de grootste moordenaar van hen allen. De Amerikaanse rekenkamer merkte op dat de belangrijkste bron van Amerikaanse militaire apparatuur voor Guatemala geregeld werd door middel van de commerciële verkoop met vergunningen van het Ministerie van Economische Zaken, los van het internationale netwerk dat altijd klaar staat om de beesten van het veld en de bossen uit te roeien als er geld aan kan worden verdiend. De regering van Reagan was ook zeer belangrijk bij het in stand houden van de slachtingen en terreur die zich afspeelden in zuidelijk Afrika, van Mozambique tot Angola, waarmee ze veel respect afdwongen in links-liberale kringen voor de "stille diplomatie". Een cruciale steun in de rug voor de vrienden in Zuid-Afrika, die in haar buurlanden voor meer dan 60 miljard dollar aan schade aanrichtten en verantwoordelijk waren voor 1,5 miljoen doden in de periode van 1980 tot 1988. De crisis in het kapitalisme die in de 80-jaren wereldwijd om zich heen greep had de meest catastrofale effecten in dezelfde twee continenten: Afrika en Latijns-Amerika.38
Eén van de belangrijkste Guatemalteekse moordenaars, Generaal Héctor Gramajo, werd beloond voor zijn bijdragen in genocide met een fellowship aan Harvard's John F. Kennedy School of Government - niet geheel onredelijk, gezien Kennedy's doorslaggevende bijdragen bij het op poten zetten van de 'counterinsurgency' (één van die technische termen voor het internationaal terrorisme van de machtigen op aarde). De autoriteiten van Cambridge kunnen opgelucht ademhalen, te weten dat Harvard niet langer een gevaarlijk broeinest van oproerkraaiers is.
Terwijl hij zijn graad aan Harvard behaalde gaf Gramajo een interview aan de Harvard International Review waarin hij een meer genuanceerd beeld gaf van zijn eigen bijdragen. Met gepaste bescheidenheid nam hij verantwoordelijkheid voor het "70/30 procent programma voor bevolkingszaken, dat werd ingesteld door de Guatemalteekse regering in de 80-er jaren ter beheersing van mensen en organisaties die het oneens zijn met de regering." Hij omschreef welke de belangrijke vernieuwingen waren waarvoor hij verantwoordelijk was: "We hebben een meer humanitaire, goedkopere strategie ontwikkeld, die beter overeenkomt met het democratische systeem. We zijn begonnen met het bevolkingzakenprogramma [in 1982] (…) het voorziet in ontwikkeling voor 70 procent van de bevolking, terwijl we 30 procent vermoorden. Daarvoor was het de strategie om 100 procent te vermoorden." Dit is een "veel verfijndere methode" dan de voordien onbeschaafde overtuiging dat je "iedereen moet vermoorden voor het in toom houden" van andersdenkenden, zo legde hij het uit.
Het is dan ook onredelijk van journalist Alan Nairn, die aan het licht bracht dat de oorsprong van de Midden-Amerikaanse doodseskaders in de VS lag, om Gramajo te beschrijven als "een van de belangrijkste massamoordenaars van het westelijk halfrond" terwijl Gramajo werd aangeklaagd voor afschuwelijke misdrijven. Het is nu dan ook beter te begrijpen dat voormalig hoofd van de CIA, William Colby, die soortgelijke persoonlijke ervaringen heeft vanuit zijn tijd in Vietnam, aan Gramajo een kopie heeft toegestuurd van zijn memoires met de handgeschreven opdracht: "Aan een collega betrokken bij de ontwikkeling van een strategie van 'counterinsurgency' met fatsoen en democratie," Washingtonstijl.
Gezien zijn begrip van humanisme, fatsoen en democratie, mag het geen verrassing zijn dat Gramajo voor de verkiezingen van 1995 de keuze is van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, aldus het Guatemalteekse Central America Report. Ze citeren Americas Watch over het Harvard-fellowship als "dé manier van het Ministerie van Buitenlandse Zaken om Gramajo voor te bereiden en te vertroetelen," en een VS-Senaatstaflid: "Hij is welzeker hun favoriet daar." Gramajo was een "hoge bevelhebber in het begin van de 80-jaren, als de Guatemalteekse militairen verantwoordelijk worden gehouden voor de dood van tienduizenden mensen, voornamelijk burgers," schrijft Kenneth Freed. Hij wordt "door het Ministerie van Buitenlandse Zaken gezien als gematigd," aldus het citaat van een Westerse diplomaat, die ons verzekert dat Washington "afkeer" heeft van de daden van de veiligheidstroepen, die evenwel worden ondersteund en toegejuicht. De Washington Post vermeldt dat vele Guatemalteekse politici verwachten dat Gramajo de verkiezingen zal winnen, een realistische inschatting als hij inderdaad de favoriet van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is. Het imago van Gramajo wordt ook nog wat opgepoetst. Hij gaf de Washington Post een verschoonde versie van zijn interview over het 70/30 procent programma voor bevolkingszaken: "Het doel van de regering was 70 procent in ontwikkeling en 30 procent in oorlogstaken. Ik had het niet over mensen, alleen de te verrichten inspanning." Jammer dat hij zich zo slecht had uitgedrukt - of beter gezegd, zo eerlijk - voordat de 'Harvard-vertroeteling' het gewenste resultaat had bereikt.39
Het is niet onwaarschijnlijk dat de heersers van de wereld, vergaderend in G-7 conferenties, grote delen van Afrika en Latijns-Amerika hebben afgeschreven als overbodige mensen die geen plaats hebben in de Nieuwe Wereld Orde, te samen met vele anderen, ook in het eigen land.
In de diplomatie worden Latijns-Amerika en Afrika op soortgelijke wijze beoordeeld. Beleidsdocumenten benadrukken dat het de rol van Latijns-Amerika is om grondstoffen te leveren en te zorgen voor een gunstig ondernemings- en investeringsklimaat. Als dat kan worden bereikt met formele verkiezingen onder voorwaarden die de ondernemingsbelangen garanderen, dan is dat geen probleem. Als er staatsterreur nodig is "voor de volledige vernietiging van een mogelijke bedreiging van de bestaande structuren van sociaaleconomische privileges, door het verwijderen van de politieke deelname van de grote meerderheid," dan is dat jammer, maar te prefereren boven het alternatief van onafhankelijkheid. Dit zijn de woorden van Latijns-Amerika wetenschapper, Lars Schoultz, die de doelen beschrijft van de Nationale Veiligheid Staten die hun wortels hebben in het beleid van de Kennedy-regering. Ook voor Afrika werd een speciale welomschreven functie toebedacht in de Nieuwe Wereld Orde van na de Tweede Wereldoorlog, door het hoofd van de Beleidsplanning van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, George Kennan, zoals hij de hele Derde Wereld aan bod liet komen. Zijn aanbeveling was dat het "uitgebuit" zou moeten worden voor de reconstructie van Europa. Hij voegde eraan toe dat uitbuiting van Afrika de Europeanen de gelegenheid bood "tot tastbare doelen waar iedereen op zulk een onsuccesvolle wijze naar gestreefd heeft," een enorm belangrijke psychologische steun in de rug, in die moeilijke naoorlogse tijd. Dit soort aanbevelingen zijn zó oncontroversieel, dat er geen enkel commentaar op komt, of dat het überhaupt wordt opgemerkt.40
De genocidale episodes van het Columbus-Vasco da Gama tijdperk bleven zeker niet beperkt tot de veroverde gebieden in het Zuiden, zoals op afdoende wijze is aangetoond door de prestaties van de Westerse beschaving vijftig jaar geleden. Gedurende het gehele tijdperk zijn er beestachtige conflicten geweest tussen de belangrijkste maatschappijen van het Noorden, die zich soms tot zeer ver verspreiden, met name in de 20ste eeuw. Voor het overgrote deel van de wereldbevolking wordt dit gezien als een 'shootout' tussen rivaliserende drugsbenden of maffiosi: De enige vraag is wie het recht zal krijgen om te roven en te moorden. In de periode na de Tweede Wereldoorlog waren de VS de handhaver van de Wereld Orde die de belangen van de geprivilegieerden verdedigden. Zij hebben om die reden een indrukwekkende lijst opgebouwd van agressie, internationaal terrorisme, slachtingen, martelingen, chemische en biologische oorlogvoering, en alle denkbare vormen van schendingen van de mensenrechten. Dat zou niemand mogen verbazen; dat zijn de verantwoordelijkheden van het vak. Noch mag het een verrassing zijn dat het nu en dan vermelden van deze feiten, zelfs in marginale publicaties, woedeuitbarstingen veroorzaakt onder de volkscommissarissen.
Er moet opgemerkt worden dat er weinig nieuws onder de zon is. Het is al sinds de Bijbelse dagen dat er geen warm ontvangst is voor de brengers van het slechte nieuws; de "verantwoordelijke mannen" zijn de valse profeten, die de meer geruststellende verhalen vertellen. De ooggetuige beschrijvingen van de Las Casas over "de Vernietiging van de Indien" is in theorie verkrijgbaar sinds 1552. Het is nooit een echte bestseller geweest. In 1880 schreef Helen Jackson een opmerkelijk verslag: "Een Eeuw van Schande". Een "treurige openbaring van geschonden vertrouwen, van verbroken verdragen, en van onmenselijke gewelddadigheden, die het schaamrood op de kaken zal brengen bij hen die van hun land houden," schreef Bisschop H.B. Whipple uit Minnesota in het voorwoord. Erg veel schaamte was er niet, zelfs niet bij de herdruk in 1964 ("Beperkte oplage van 2.000 exemplaren"). Zij die de slavernij wilden afschaffen, worden voornamelijk achteraf, in retrospectief, geëerd. Ze werden destijds "geminacht en uitgestoten, en beledigd, (...) door de 'patriotten'," schreef Mark Twain: "Alleen de doden wordt toegestaan om de waarheid te vertellen." Zijn eigen anti-imperialistische essays zijn nauwelijks bekend. De eerste collectie verscheen pas in 1992. De samensteller van de bundel merkt op dat Twain's belangrijke rol in de Anti-Imperialistische Liga - zijn belangrijkste bezigheid in de laatste tien jaar van zijn leven - "onvermeld lijkt te zijn in alle biografieën."
De moord op zes Jezuïtische intellectuelen door het, door de VS getrainde Atlacatl Bataljon, in November 1989 veroorzaakte een groot schandaal. Ze werden vermoordt, schrijven samenstellers John Hassett en Hugh Lacey in de inleiding bij hun geschriften, "wegens hun inzet als intellectuelen, wetenschappers, schrijvers en docenten in solidariteit met de armen" (hun cursief). Er is geen betere manier om hen voor altijd te laten verdwijnen dan door het onderdrukken van hun woorden - die nagenoeg onbekend, en onvermeld blijven, hoewel de kwesties waar zij zich mee bezig hielden de kern was van de belangrijke problemen op het gebied van de internationale betrekkingen in het decennium dat ligt tussen de moord op hen en de moord op Aartsbisschop Romero, wiens woorden ook genegeerd en vergeten zijn. Sovjet dissidenten mogen dan worden geëerd in het Westen, in hun eigen land zijn het hen die de officiële waarheden uitdragen en uithalen naar de "goedpraters van het imperialisme" die de verantwoordelijke gematigden zijn.
Het is waar dat personen, zoals Las Casas, af en toe naar voren worden geschoven om onze essentiële goedheid te bewijzen. De Economist legt uit dat "de demografische catastrofe waaraan het jonge Latijns-Amerika ten prooi viel (...) niet werd veroorzaakt door slechte intenties, maar door een menselijke tekort en door een soort noodlot: de knarsende raderen van historische veranderingen op lange termijn." "Waar wreedheden en gruwelijkheden plaatsvonden, kunnen geschiedschrijvers hiervan kennis nemen juist door de 16e eeuwse Spaanse hartstocht voor rechtvaardigheid, daar zij werden opgetekend en veroordeeld door moralisten en bestraft in de rechtbanken." Het allerbelangrijkste is dat de veroveraars het "goed bedoelden, oprecht gelovend" dat zij hun slachtoffers "een door god gegeven orde" brachten, terwijl ze hen afslachten, martelden en tot slaven maakten. Hetgeen maar weer de onbenulligheid aantoont van die "politiek correcte" idioten die maar doormalen over "de beestachtige onrechtvaardigheid van de Europeanen"(Adam Smith). Columbus zelf wilde niets anders dan "voor de Indianen zorgen, en hen beschermen tegen kwaad of ongeluk" - zijn eigen woorden, ter afsluiting van de discussie. Wat kan als beter bewijs dienen voor de edelmoedigheid in ons cultureel erfgoed dan de zachtmoedige bezorgdheid van Columbus en de Spaanse hartstocht voor rechtvaardigheid?
Hoe vreemd toch, dat de belangrijkste chroniqueur Las Casas, aan het eind van zijn leven in zijn testament schreef: "Het is mijn overtuiging dat door deze goddeloze, criminele en schandelijke daden, zo onrechtvaardig, tiranniek en barbaars, dat God Zijn toorn en Zijn woede over Spanje zal doen nederkomen, daar bijna geheel Spanje heeft gedeeld in de bloederige rijkdommen, wederrechtelijk verkregen ten koste van zo veel vernielingen en slachtingen."41
De gruwelijke geschiedenis van wat er daadwerkelijk is gebeurd, als het al wordt opgemerkt, wordt gezien als onbelangrijk, zelfs een bewijs van onze edelmoedigheid. Nogmaals, dat zijn de verantwoordelijkheden van het vak. Het ligt nogal voor de hand dat de allermachtigste maffiabaas een dominante invloed heeft op de manieren van denken, normen en waarden. Eén van de grote voordelen van rijk en machtig zijn is dat je nooit hoeft te zeggen: "het spijt me." Dat is de morele en culturele uitdaging aan het einde van de eerste 500 jaar.
Hyper-Noten
| 25 | Miller, Founding Finaglers; Keay, Honorable Company, 185. Virginia, Jennings, Invasion, Empire (447 over bacteriologische oorlogvoering, opgedragen door "hun hoogste authoriteit in Amerika, opperbevelhebber Amherst" in Fort Pitt; ook Stannard, American Holocaust, 335n). |
| 26 | Saxton, Rise and Fall, 41. Mannix and Cowley, Black Cargoes, 274. Alfred Rubin, "Who Isn't Cooperating on Libyan Terrorists?," CSM, Feb. 5, 1992. |
| 27 | Bailey, Diplomatic History, 163. |
| 28 | Drinnon, Facing West, 65, 43; White Savage, 157, 169-71; ook van zijn hand "The Metaphysics of Empire-Building," ms, Bucknell, 1972. Jennings, Invasion, 60, 149ff. |
| 29 | TTT, 87 (Theodore Roosevelt), 126 (Churchill; voor meer details, DD, 182f., Omissi, Air Power, 160). Stannard, American Holocaust, 134 (Theodore Roosevelt). Kiernan, European Empires, 200 (Lloyd George). Over Bush als erfgenaam van Theodore Roosevelt, zie John Aloysius Farrell, BG Magazine, March 31, 1991, en nog veel meer van dat soort fascistisch-rassistische retoriek van nu. Voor een staaltje ervan uit de liberale pers, zie mijn artikelen in Z magazine, May 1991, en Peters, Collateral Damage. Indochina, APNM, chap. 3, n. 42. |
| 30 | Perkins, Monroe Doctrine, I, 131, 167, 176f. Zie TTT, 69. |
| 31 | Morris, American Revolution, 57, 47. DD, ch. 1.3. Zie ook Jan Carew, Monthly Review, July-August 1992. |
| 32 | Over de burgeroorlog binnen de Onafhankelijkheidsoorlog en de stroom vluchtelingen, zie PEHR, II, 2.2; Morris, Forging, 12ff. De Caroline test, algemene verwijzing in discussies over het Handvest van de VN, geciteerd door juridisch professor Detlev Vagts, "Reconsidering the Invasion of Panama," Reconstruction, I.2 1990. |
| 33 | Lawrence Kaplan, Diplomatic History, Summer 1992. |
| 34 | Appleby, Capitalism, 1f. |
| 35 | Hietale, Manifest Design; Horsman, Race. Fredonia, Drinnon, White Savage, 192, 201-21; cursief in origineel. Emerson, geciteerd door Clarence Karier, "The Educational Legacy of War," ms., U. of Illinois, July 1992. |
| 36 | Hietala, Manifest Design, 193, 170, 259, 266. |
| 37 | Howard, Harper's, March 1985; Morris, American Revolution, 4, 124; Bernstein, NYT, Feb. 2, 1992. |
| 38 | Military Sales: the United States Continuing Munition Supply Relationship with Guatemala, US General Accounting office, Jan. 1986, report to Committee on Foreign Affairs, House of Representatives, 4. "Inter-Agency Task Force, Africa Recovery Program/Economic Commission," South African Destabilization: the Economic Cost of Frontline Resistance to Apartheid, NY, UN, 1989, 13, geciteerd door Merle Bowen, Fletcher Forum, Winter 1991. |
| 39 | CAR, Nov. 22, 1991; Economist, July 20, 1991; Freed, LAT, May 7, 1990. Shelley Emling, WP, Jan. 6, 1992. Gramajo heeft geweigerd te reageren op de beschuldigingen van de Rechtbank en werd bij verstek schuldig bevonden aan zware schendingen van de mensenrechten; de eisers werd meer dan $10miljoen toegewezen aan geleden schade - symbolisch, zonder twijfel. |
| 40 | Zie PI, Lect. I; DD, ch. 1. In 't algemeen, zie Kolko, Confronting. Schoultz, Human Rights, 7. |
| 41 | Jackson, Century. Zwick, Mark Twain's Weapons, 190, 162. Hassett en Lacey, Towards a Society; DD, ch. 12. Economist, Dec. 21, 1991. Las Casas, geciteerd door Todorov, Conquest, 245. |