De Vloek van Columbus
Van Kolonialisme tot de Nieuwe Wereldorde
Het Jaar 501, De Verovering Gaat Door
Noam Chomsky, Copyright © 1993
Vertaling van het eerste hoofdstuk van "The Year 501"
Verscheen als bijlage bij Extra! nr. 8 en 9.
Deel 1: Oude Wijn, Nieuwe Zakken
Hoofdstuk 1: De Verheven Missie van Onderwerping en Verovering
1. "De Beestachtige Onrechtvaardigheid van de Europeanen"
2. "Het Vellen van Bomen en Indianen"
3. Ongeëvenaarde goedertierendheid
Het jaar 1992 plaatst de Westerse elites die de wereld domineren voor een
belangrijke morele en culturele uitdaging. Deze uitdaging is des te groter
aangezien in de Westerse samenlevingen de bevolking, door middel van eeuwenlange
strijd een grote mate van vrijheid heeft veroverd, die vele mogelijkheden
biedt tot onafhankelijk denken en engagement. Dit geldt met name voor de eerste
Europese kolonie die zich heeft ontworsteld aan imperialistische overheersing,
de Verenigde Staten. De manier waarop deze uitdaging in de komende jaren wordt
aangegaan zal vérstrekkende gevolgen hebben.
Op 11 oktober 1992 is er een einde gekomen aan het 500ste jaar van de Oude
Wereldorde, die ook wel het Columbus-tijdperk of het Vasco da Gama-tijdperk
van de wereldgeschiedenis wordt genoemd, afhankelijk van waar de plunderende
avonturiers als eerste voet aan wal zette. Of "het 500-jarige Reich",
zoals de titel luidt van een herdenkingsbundel waarin een vergelijking wordt
gemaakt tussen de methoden en ideologie van de Nazi's en die van de Europese
veroveraars die het grootste gedeelte van de wereld aan zich onderwierpen. 1
Het belangrijkste thema van deze Oude Wereldorde was de mondiale confrontatie
tussen veroveraars en veroverden.
Het begrip "Europa" omvat ook de door de Europeanen gestichte koloniën,
waarvan er nu één de 'kruistocht' leidt. Op grond van aan de
apartheid ontleende conventies werden de Japanners toegelaten als 'honorary
whites', ere-blanken die zo rijk zijn dat ze als bijna volwaardig kunnen worden
beschouwd. Japan was een van de weinige Oosterse landen die nooit zijn veroverd
en waarschijnlijk om die reden mochten toetreden tot de kern. Dat er een samenhang
bestaat tussen onafhankelijkheid en (economische) ontwikkeling bewijst de
geschiedenis van West-Europa: die gebieden die zijn gekoloniseerd hebben een
ontwikkeling doorgemaakt die te vergelijken is met die van de Derde Wereld.
Een treffend voorbeeld is Ierland dat op gewelddadige wijze werd veroverd
en daarna werd onderworpen aan een 'vrije markt' doctrine die het uitsloot
van verdere ontwikkeling. De selectieve toepassing van deze doctrine dient
er toe de onderwerping van het Zuiden te continueren. Tegenwoordig noemt men
dat "structurele aanpassing", "neoliberalisme" of "onze
nobele idealen", zaken waarvan wijzelf overigens blijven gevrijwaard. 2
"De ontdekking van Amerika en van de doorgang naar Oost-Indië langs
Kaap de Goede Hoop zijn de twee grootste en belangrijkste gebeurtenissen uit
de geschiedenis van de mensheid," schreef Adam Smith in 1776: "Welke
heilzame dan wel rampzalige gevolgen deze belangrijke gebeurtenissen voor
de mensheid zullen hebben kan geen mens voorzien". Maar het was voor
een integer persoon wel mogelijk om te zien wat er al was gebeurd. "De
ontdekking van Amerika... is van doorslaggevende betekenis geweest voor de
"toestand van Europa," schreef Smith. "Het ontsluiten van een
nieuwe en schier onbeperkte markt" leidde tot een enorme toename van
de "productiekrachten" en "van winsten en rijkdom." In
theorie zouden "de nieuwe handelsomstandigheden... net zo gunstig moeten
zijn voor het nieuwe als voor het oude continent." Het heeft niet zo
mogen zijn.
"De onmenselijke onrechtvaardigheid van de Europeanen veranderde een
gebeurtenis, waarvan eigenlijk iedereen had moeten profiteren in een verwoestende
ramp voor veel van die betreurenswaardige landen," schreef Smith, een
uitspraak waarmee hij zich, in de retoriek van het hedendaags cultureel management,
begeeft op het criminele pad van de 'politieke correctheid'. "Voor de
oorspronkelijke bewoners... van West- en Oost-Indië", vervolgt Smith,
"zijn alle commerciële voordelen, die van een dergelijke gebeurtenis
het gevolg hadden kunnen zijn, tenietgedaan door de vreselijke rampspoed die
over hen is gekomen." Doordat de Europeanen over "superieure wapens"
beschikten , "konden ze in deze afgelegen landen straffeloos iedere willekeurige
misdaad begaan."
Smith maakt geen vermelding van de oorspronklijke inwoners van Noord-Amerika:
"Er waren maar twee volkeren in Amerika, die in ieder opzicht superieur
waren aan wilden [Peru, Mexico], en deze werden direct na ontdekking vernietigd.
De rest bestond louter uit wilden" - een idee dat de Britse veroveraars
zeer gelegen kwam en dat de hardnekkigheid ervan, zelfs in de wetenschap,
verklaart. Pas in de jaren 60 kwam hier eindelijk verandering in.
Meer dan een halve eeuw later hield Hegel gezaghebbende verhandelingen over
dezelfde onderwerpen in zijn 'lezingen over de filosofie van de geschiedenis'
in de volle overtuiging dat we de laatste "fase van de Wereld-Geschiedenis"
naderen waarin de Geest "zijn volle rijpheid en kracht" bereikt
in "de Duitse wereld." Van duizelingwekkende hoogte neerkijkend
oreert hij dat het oorspronkelijke Amerika "in fysiek en geestelijk opzicht
krachteloos" was en haar cultuur zo beperkt dat "het de laatste
adem moest uitblazen bij de eerste toenadering van de Geest." Vandaar
"dat de inheemsen... geleidelijk verdwenen onder invloed van de stormachtige
Europese dadendrang." "Een zacht en van iedere hartstocht gespeend
karakter, gebrek aan geestkracht en een kruiperige onderdanigheid... zijn
de belangrijkste eigenschappen van de oorspronkelijke Amerikanen" die
zo "lui" waren dat er, onder het vriendelijke "gezag van de
Broeders," "om middernacht een bel moest worden geluid om hen aan
hun echtelijke verplichtingen te herinneren." Ze waren zelfs nog minder
dan een neger, te weten "de natuurlijke mens in volledig wilde en ongetemde
toestand," die geen flauw benul heeft van "respect en moraliteit
- van al datgene wat we gevoel noemen"; "deze wezens hebben niets
menselijks." "Bij negers is moreel besef zeer slecht ontwikkeld,
of om het precieser uit te drukken, niet aanwezig." "Ouders verkopen
hun kinderen en omgekeerd kinderen hun ouders als ze daartoe de kans krijgen"
en "polygamie heeft onder negers meestal het krijgen van veel kinderen
tot doel om ze vervolgens allemaal als slaven te verkopen." Het zijn
wezens op het niveau van "een Ding - een object zonder waarde,"
die iedereen "als vijand" behandelen die probeert de slavernij af
te schaffen, aangezien de slavernij "heeft geleid tot een toename van
menselijke gevoelens onder de negers" en hun de mogelijkheid bood om
"deel te nemen aan een hogere zedelijkheid en de daarmee verbonden cultuur."
De verovering van de Nieuwe Wereld heeft twee gigantische demografische catastrofes
veroorzaakt die hun weerga in de geschiedenis niet kennen: de bijna volledige
vernietiging van de oorspronkelijke bevolking van Noord- en Zuid-Amerika en
de verwoesting en onderwerping van Afrika als gevolg van de zich snel uitbreidende
slavenhandel. Ook grote delen van Azië hebben geleden onder de "verschrikkelijke
rampspoed." Hoewel de methoden zijn veranderd, behouden de oorspronkelijke
thema's van de verovering hun vitaliteit en veerkracht, en zullen niet veranderen
totdat de werkelijkheid en oorzaken van de "beestachtige onrechtvaardigheid"
op eerlijke wijze onder ogen worden gezien.3
1. "De Beestachtige Onrechtvaardigheid van de Europeanen"
De Spaans-Portugese veroveringen hadden hun binnenlandse tegenhanger. In
1492 werd de joodse gemeenschap uit Spanje verdreven of gedwongen zich tot
het christendom te bekeren. Miljoenen Moren ondergingen hetzelfde lot. Met
de val van Granada in 1492 kwam een einde aan acht eeuwen Moorse overheersing
en kon de Spaanse Inquisitie ongestoord haar barbaarse heerschappij uitbreiden.
De veroveraars vernietigden uiterst waardevolle boeken en manuscripten die
een rijke schat aan klassieke kennis bevatten. Zij verwoestten de beschaving
die onder de Moorse overheersing had gebloeid, een beschaving die veel verfijnder
en toleranter was. De weg was vrij voor de neergang van Spanje en voor het
racisme en de wreedheden van de veroveringen - "de vloek van Columbus,"
zoals Afrika-historicus Basil Davidson het uitdrukt. 4
Spanje en Portugal werden al snel uit hun leidende posities verdrongen. De
eerste belangrijke concurrent was Holland, dat meer kapitaal tot zijn beschikking
had dan zijn rivalen. Dat was voornamelijk te danken aan het feit dat Holland
de controle had over de Baltische handel die het in de 16e eeuw had verkregen
en die door middel van geweld in stand werd gehouden. De in 1602 opgerichte
Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) kreeg feitelijk alle machtsprivileges
van een staat, waaronder het recht om oorlog te verklaren en verdragen af
te sluiten. Formeel gezien was het een onafhankelijke onderneming, maar dat
is misleidend. "De ogenschijnlijke zelfstandigheid van de VOC ten opzichte
van de machthebbers in het moederland," schrijft M.N. Pearson, was het
resultaat van het feit dat "de VOC met de staat samenviel," die
op haar beurt werd gecontroleerd door Hollandse handelaren en investeerders.
In sterk vereenvoudigde vorm zien we hier al de structurele contouren van
de moderne politieke economie die wordt gedomineerd door een netwerk van transnationale
financiële en industriële instituten die intern beslissen over investeringen
en handel en die hun rijkdommen en macht tot stand brengen en in stand houden
door het mobiliseren (en het in belangrijke mate beheren) van de staatsmacht.
"De VOC integreerde de functies van een soeverein gezag met de functies
van een ondernemingsvennootschap," schrijft een historicus van het Nederlandse
kapitalisme: "Politieke besluitvorming en zakelijke besluitvorming vonden
plaats binnen dezelfde hiërarchie van bedrijfsmanagers en ambtenaren,
en mislukking of succes werden in laatste instantie altijd afgemeten aan de
winst." De Hollanders vestigden versterkte handelsposten in Indonesië,
India, Brazilië en in het Caraïbisch gebied, ze veroverden Sri Lanka
op de Portugezen en reikten tot aan de periferie van Japan en China. Nederland
werd echter het slachtoffer van wat later de "Hollandse ziekte"
werd genoemd: onvoldoende centralisatie van de staatsmacht. Hierdoor werden
de mensen misschien wel "rijk als individu, maar bleef de staat zwak,"
zoals de Britse Lord Sheffield in de 18e eeuw opmerkte en daarmee Engeland
waarschuwde niet dezelfde fout te maken. 5
De Iberische imperia kregen nog meer slagen toegediend toen Engelse piraten,
plunderaars en slavenhandelaren de zeeën onveilig begonnen te maken.
De beruchtste van hen was waarschijnlijk Sir Francis Drake. De buit die Drake
naar Engeland sleepte "kan worden beschouwd als de oorsprong van de Britse
buitenlandse investeringen," schreef John Maynard Keynes: "Elizabeth
betaalde uit de opbrengsten haar volledige buitenlandse schulden en investeerde
een deel van het geld... in de Levant Company; voornamelijk van de winsten
van de Levant Company werd de East India Company opgericht. De winsten hiervan...
vormden de belangrijkste basis van de Engelse buitenlandse betrekkingen. Tot
1630 bestond de gehele Engelse onderneming op de Atlantische Oceaan uit "rooftochten
van gewapende handelaren en plunderaars die goedschiks of kwaadschiks een
aandeel wilden in de Atlantische rijkdommen van de Iberische landen"
(Kenneth Andrews). De avonturiers die aan de basis stonden van de handelsimperia
van de 17e en 18e eeuw "zetten de oude Europese traditie van de combinatie
oorlogsvoering en handel voort ," voegt Thomas Brady toe, en als gevolg
van "de groei van de Europese staat als militaire onderneming" kwam
de "typisch Europese figuur van de soldaat-handelaar" tot bloei.
Later werden de "rooftochten van de Elizabethaanse kaapvaarders"
en hun "oorlogen voor markten" door een nu sterkere Engelse staat
overgenomen (Christopher Hill). De Britse East India Company verkreeg haar
charter in 1600 dat in 1609 voor onbepaalde tijd werd verlengd. Het gaf de
compagnie op gezag van de Britse Kroon het monopolie op de handel met de Oost.
Hierop volgden wrede oorlogen tussen de Europese rivalen die veelal werden
gevoerd met onvoorstelbare barbaarsheid en waarin inheemse bevolkingsgroepen
werden betrokken die vaak ook nog met elkaar in strijd waren gewikkeld.
In 1622 verdreven de Britten de Portugezen uit de straat van Hormuz, "de
sleutel tot geheel India," een trofee die ze uiteindelijk ook nog zouden
bemachtigen. Het grootste deel van de rest van de wereld werd uiteindelijk
op deze wijze verdeeld.
De toegenomen staatsmacht stelde Engeland in staat zijn eigen Keltische periferie
te onderwerpen om vervolgens de hierdoor nieuw ontwikkelde technieken met
zo mogelijk nog meer wreedheid toe te passen op de nieuwe slachtoffers aan
de andere kant van de Atlantische Oceaan. De minachting voor "de smerige,
veehoudende Kelten aan de grenzen van Engeland" maakte voor de "beschaafde
en welvarende Engelsman" de weg vrij om een leidende positie in te gaan
nemen in de slavenhandel doordat "deze minachting zich als een inktzwarte
schaduw uitbreidde over de overzeese volkeren", schrijft Thomas Brady.
In het midden van de 17e eeuw was Engeland sterk genoeg om de zg. Navigatiewetten
op te leggen (1651, 1662) waarmee buitenlandse handelaren werden geweerd uit
de koloniën en de Britse schepen "het monopolie op de handel naar
Engeland hadden" (import). Dit deed men zowel "door middel van absolute
verboden" als door het opleggen van "zeer hoge belastingen"
aan derden (Adam Smith bespreekt deze maatregelen met gemengde gevoelens;
enerzijds heeft hij zijn bedenkingen anderzijds stemt hij er mee in). Het
"tweeledige doel" van deze initiatieven was "strategische macht
en economische rijkdom door scheepvaart en koloniale monopolies," aldus
Cambridge Economic History of Europe. In de Brits-Hollandse oorlogen van 1652
tot 1674, was het doel van Engeland om de Hollandse handel en scheepvaart
te beperken of te vernietigen en om controle te krijgen over de lucratieve
slavenhandel. Het draaide allemaal om de gebieden aan de andere kant van de
Atlantische Oceaan waar de koloniën van de Nieuwe Wereld enorme rijkdommen
boden. Door middel van de Navigatiewetten en oorlogen werden de door de Engelse
handelaren gedomineerde handelsgebieden uitgebreid, hetgeen hen de mogelijkheid
bood zich te verrijken aan de slavenhandel en aan hun "roofhandel met
Amerika, Afrika en Azië" (Hill) hierin gesteund door "de door
de staat gesponsorde koloniale oorlogen" en verschillende vormen van
economisch management waarbij de staat de weg vrijmaakt voor het vergaren
van private rijkdommen en voor een daarmee samenhangende speciale vorm van
ontwikkeling die hiervan in dienst staat. 6
Zoals Adam Smith opmerkt was het Europese succes een eerbetoon aan de beheersing
van de middelen en de ontwikkeling van de cultuur van geweld. "Oorlogsvoering
in India was nog steeds een sport,' merkt John Keay op: "in Europa was
het een wetenschap geworden." Vanuit Europees perspectief waren de veroveringen
over de gehele wereld "kleine oorlogen," en zo werden ze ook gezien
door de militaire autoriteiten, schrijft Geoffrey Parker. "Cortes veroverde
Mexico met zo'n 500 Spanjaarden; Pizarro bracht het Inca-Rijk ten val met
minder dan 200 man en het gehele Portugese imperium werd bestuurd en verdedigd
door minder dan 10.000 Europeanen." Tijdens de beslissende slag bij Plassey
in 1757, die de weg werd vrijmaakte voor de verovering van Bengalen door de
East India Company en voor de latere Britse heerschappij over India, had Robert
Clive tien keer zo weinig manschappen tot zijn beschikking als de vijand.
Een aantal jaren later waren de Britten in staat om de numerieke ongelijkheid
recht te trekken door inheemse huurlingen te mobiliseren die 90 procent uitmaakten
van de Britse troepen die India bezetten. Zij vormden ook de kern van de Britse
legers die in het midden van de 19e eeuw China binnenvielen. Het feit dat
de Noord-Amerikaanse koloniën geen "militare troepen leverden ter
behoud van het Imperium", was voor Adam Smith een van de belangrijkste
redenen om ervoor te pleiten dat Engeland zich van deze koloniën zou
"bevrijden".
De Europeanen "vochten om te doden," en ze hadden de middelen om
hun bloeddorstigheid te bevredigen. In de Amerikaanse koloniën waren
de inheemsen verbijsterd over de wreedheid van de Spanjaarden en de Britten.
"Ondertussen waren aan de andere kant van de wereld de volkeren van de
Indonesische archipel net zo geschokt door de alles-vernietigende razernij
van de Europese manier van oorlog voeren," voegt Parker toe. De Europeanen
hadden de tijd zoals die door een 12e eeuwse Spaanse pelgrim op weg naar Mekka
werd beschreven ver achter zich gelaten: "De krijgers voeren hun oorlogen,
terwijl de mensen vrede hebben." De Europeanen kwamen misschien om handel
te drijven, maar ze bleven om te veroveren: "handel kan niet in stand
worden gehouden zonder oorlog, noch oorlog zonder handel," schreef een
van de Hollandse veroveraars van Oost-Indië in 1614. Alleen China en
Japan waren in staat om het Westen buiten de deur te houden, omdat "zij
toen al door de wol geverfd waren." De Europese overheersing van de wereld
"was altijd in belangrijke mate afhankelijk van het constante gebruik
van geweld," schrijft Parker: "Het was dankzij hun militaire superioriteit,
veel meer dan welk sociaal, moreel of natuurlijk overwicht dan ook, dat de
blanke volkeren van de wereld in staat waren om, hoe kortstondig dan ook,
de eerste wereldomvattende hegemonie te creëren en in stand te houden." 7
Over de duur ervan kun je van mening verschillen.
"Twintigste eeuwse historici zijn het er over eens dat het over het algemeen
de Europeanen waren die op gewelddadige wijze binnendrongen in de Aziatische
handelssystemen die daarvoor relatief vreedzaam waren," schrijft James
Tracey, daarmee een door hem geredigeerde wetenschappelijke studie over handelsimperia
samenvattend. Ze introduceerden door de staat ondersteunde handel in een gebied
met relatief vrije markten, "die open stonden voor een ieder die in vrede
kwam onder voorwaarden die algemeen bekend en aanvaard waren." Hun gewelddadige
inbreuk op deze wereld bracht een "karakteristieke, zo niet uniek Europese
combinatie van staatsmacht en handelsbelangen, hetzij in de vorm van een onderdeel
van de staat dat handel drijft, hetzij in de vorm van een handelsbedrijf dat
zich gedraagt als een staat." "Een belangrijk kenmerk waarin de
Europese ondernemingen zich onderscheidden van inheemse handelsnetwerken in
verschillende delen van de wereld" concludeert hij, is dat de Europeanen
"hun belangrijkste commerciële ondernemingen organiseerden ofwel
als een verlengstuk van de staat... ofwel als een autonome handelsmaatschappij...
die vele overeenkomsten vertoont met een staat," en dat ze gesteund werden
door de gecentraliseerde staatsmacht van het thuisland.
Portugal baande de weg door het opleggen van schattingen aan de Aziatische
handel, "allereerst door het dreigen met geweld tegen Aziatische schepen."
Vervolgens werd bescherming verkocht tegen de door henzelf in het leven geroepen
dreiging zonder verdere dienstverlening: "tegenwoordig zou men dit omschrijven,"
merkt Pearson op, "als maffia-afpersingspraktijken." De veel machtigere
Europese concurrenten van Portugal namen het over. Zij waren veel effectiever
in het gebruik van geweld en pasten veel geraffineerdere management- en controletechnieken
toe. De Portugezen hadden "de traditionele handelsstructuren niet radicaal
veranderd," maar deze werden "aan diggelen geslagen" door de
Hollanders. De Hollandse en Britse bedrijven "gebruikten geweld op een
veel selectievere, in feite rationelere manier" dan hun Portugese voorgangers:
"het werd uitsluitend toegepast voor commerciële doeleinden... winst
was de moraal van het verhaal." Met het geweldspotentieel dat zij tot
hun beschikking hadden, en hun organisatorische basis in het thuisland, waren
zij verreweg de meerdere van de Portugezen. Uiteindelijk waren het de Britten
die niet bezweken aan de "Hollandse ziekte", en die op grote schaal
hun belangrijkste rivalen verdrongen. De vooraanstaande rol van staatsmacht
en geweld is karakteristiek voor zowel de "essentiële" bijdrage
van de koloniën aan de "toestand van Europa" die Adam Smith
beschrijft, als voor haar eigen interne ontwikkeling. 8
Engeland wordt beschouwd als een uitzondering als het gaat om de cruciale
rol van staatsmacht en geweld in de economische ontwikkeling; de Britse liberale
traditie stond zich er op voor dat dit de sleutel van het succes was. Deze
veronderstellingen werden door John Brewer in een waardevolle herinterpretatie
van de opkomst van Engeland als wereldmacht tegen het licht gehouden. De Britse
verschijning "als het militaire Wunderkind van die periode", dat
wil zeggen eind 17e en begin 18e eeuw, en die op veelal wrede en barbaarse
wijze zijn gezag deed gelden over de onderworpen volkeren in verre landen,
viel samen met een "verbazingwekkende transformatie in de Britse regering,
die ruggengraat gaf aan het Britse politieke systeem." Tegengesteld aan
wat de liberale traditie wil doen geloven, werd Engeland in deze periode een
"sterke staat," "een fiscaal-militaire staat," dankzij
"een radicale toename van inkomsten uit belastingen" en "een
enorm openbaar bestuur dat erop was gericht de fiscale en militaire activiteiten
van de staat te organiseren." De Engelse natie werd "de belangrijkste
afzonderlijke partij in de economie," een van Europa's meest machtige
staten "beoordeeld naar het vermogen geld uit de zak van de bevolking
te kloppen, soldaten en zeelui te recruteren." "Handelsorganisaties,
groepen handelaren en financiers streden onderling en vormden coalities om
voordeel te behalen uit de bescherming van het grootste economische lichaam,
de staat."
In deze periode lagen de Engelse belastingtarieven tweemaal zo hoog als die
in Frankrijk (van oudsher beschouwd als de over-gecentraliseerde al-machtige
staat), en het verschil nam toe. De overheidsschuld nam evenredig snel toe.
Aan het einde van de 18e eeuw werd bijna een kwart van het gemiddelde inkomen
per hoofd van de bevolking geïnd en dit nam toe tot een derde van het
inkomen tijdens de Napoleontische oorlogen. "Of men het nu absoluut of
relatief beoordeelt, in Engeland werd zeer veel belasting betaald." In
de periode van de opkomst van het militaire wunderkind was de toename van
de belastinginkomsten meer dan vijf maal zo groot als de economische groei.
Gedeeltelijk kan dit worden verklaard door efficiency; de belastingen werden
centraal geïnd door de regering, in een mate die ongekend was in Europa.
Een andere factor was de legitimiteit van een meer democratische staat. De
rol van de "grootste economische macht in het 18e eeuwse Engeland, de
staat" was niet enkel en alleen het veroveren: veel belangrijker was
haar rol in het ondersteunen van de export en het beperken van import. In
het algemeen het toepassen van een protectionistisch beleid van import-substitutie,
dat de weg heeft bereid voor de industriële ontwikkeling van Engeland
tot Zuid-Korea. 9
Overdadig economisch liberalisme heeft duidelijk bijgedragen aan de ineenstorting
van het Spaanse imperiale systeem. Het was té open. Er werd toegestaan
dat "handelaren, vaak niet-Spanjaarden, konden opereren binnen de grenzen
van het Imperium" en "dat de opbrengsten Spanje konden verlaten."
De Hollanders daarentegen hielden de opbrengsten "op alle mogelijke manieren
in eigen land," omdat "Hollandse handelaren het imperium en de staat
waren," is de conclusie van Pearson. Engeland volgde een vergelijkbaar
beleid van economisch nationalisme, door het verlenen van staatsoctrooien
aan handelsmonopolies, de eerste (1581) voor Turkije en het gehele Midden-Oosten,
later voor de rest van Azië en Noord-Amerika. Als tegenprestatie voor
het verlenen van deze rechten, werden op geregelde basis betalingen aan de
Kroon gedaan door de quasi-staatsondernemingen, later werd deze regeling vervangen
door een directere betrokkenheid van de staatsmacht. Terwijl de Britse handel
en winsten in de 18e eeuw snel toenamen bleef de regulering door de overheid
van belang: "minder regulering in de negentiende eeuw was het gevolg
van de Engelse overheersing, niet de oorzaak," merkt Pearson op.
Adam Smith mag dan op zeer welsprekende wijze hebben opgesomd wat de schadelijke
gevolgen zijn voor de mensen in Engeland van de "verachtelijke geest
van het monopolie," in zijn scherpe veroordeling van de East India Company,
maar deze theoretische analyse was niet de oorzaak van haar ondergang. De
"eerbiedwaardige Company" werd het slachtoffer van het zelfvertrouwen
van de Britse industriëlen, met name de textielfabrikanten die werden
beschermd tegen "onredelijke" concurrentie van de uit India afkomstige
textiel. Ze waren er van overtuigd dat ze zouden profiteren van een "eerlijke
concurrentie," nadat ze hun rivalen in de koloniën hadden uitgeschakeld
door middel van staatsinvloed en geweld. Ze vroegen om deregulatie en gebruikten
hun nieuwe rijkdommen en macht voor het mechaniseren en het verhogen van de
aanvoer van katoen. In hedendaagse terminologie, na het verkrijgen van een
'level playing field', onbetwistbaar in hun voordeel, is er niets grootmoediger
dan het propageren van een "open wereld" zonder irrationele en willekeurige
belemmeringen voor de eerlijke ondernemer, die werkt aan de welvaart voor
ons allen. 10
Zij die verwachten dat ze het spel zullen winnen, zullen zich zeker kunnen
vinden in een lofzang op de regels van "vrije concurrentie"-, hoewel
ze er altijd voor zullen zorgen dat de toepassing ervan overeenkomt met hun
eigen belangen. Om maar de meest voor de hand liggende tekortkoming te noemen,
de apostelen van het economisch liberalisme hebben nog nooit in overweging
genomen om "de vrije verspreiding van arbeid ... van plaats tot plaats"
toe te staan, één van de fundamenten van de vrijheid van handel,
zoals Adam Smith benadrukte.
Er is weinig historisch bewijs voor de heersende overtuiging over de impact
van de stellingen van Adam Smith; bijvoorbeeld de bewering van George Stigler,
van de Chicagoschool, dat Smith "Engeland overtuigde" van 1850 tot
1930 "van de voordelen van de internationale vrijhandel." Wat "Engeland
overtuigde"- meer precies die Engelsen die macht hadden - was het inzicht
dat "internationale vrijhandel" (binnen bepaalde grenzen) in hun
voordeel zou werken. "Het duurde tot 1846, toen de Britse fabrikanten
machtig genoeg waren, dat het Parlement bereid was voor de revolutie"
van de vrije handel, merkt Richard Morris op. Wat Engeland van het tegenovergestelde
overtuigde, was dat in 1930 die tijd voorbij was. Omdat het niet in staat
was om de concurentie aan te gaan met Japan, sloot Engeland Japan op effectieve
wijze uit van handel met het Gemenebest, waaronder India. De VS sloten zich
hierbij aan in hun kleinere imperium, evenals de Hollanders. Dit waren de
belangrijke factoren die zouden leiden tot de Pacifische oorlog. Japan volhardde
in zijn wedijver met zijn machtige voorgangers en had zich op naïeve
wijze de liberale doctrines eigengemaakt, om er later achter te komen dat
het bedrog was, opgelegd aan de zwakken, geaccepteerd door de sterken zolang
ze van belang zijn. Zo is het altijd geweest. 11
Stigler zou er daarentegen wel eens gelijk in kunnen hebben dat Smith "in
ieder geval alle daaropvolgende economen heeft overtuigd." Als dat zo
is dan blijkt maar weer wat het gevaar is van het onterecht idealiseren, waardoor
bepaalde factoren die voor een kwestie van cruciaal belang zijn, in de overwegingen
niet worden meegenomen, een bekend probleem in de wetenschap. In dit geval,
de scheiding tussen de vragen naar de welvaart van landen en de vragen naar
de macht: Wie neemt beslissingen, en voor wie? We komen later terug op hoe
Adam Smith zelf hierover dacht.
De rijkdommen uit de koloniën die naar Engeland werden gebracht, creëerden
enorme fortuinen. Rond 1700 nam de East India Company "meer dan de helft
van de handel van het land" voor haar rekening, aldus een criticus van
die tijd. In de daaropvolgende vijftig jaar, schrijft Keay, werden haar aandelen
"beschouwd als fondsen met een gouden randje, veel gevraagd door trustees,
liefdadigheidsinstellingen en buitenlandse investeerders." De snelle
groei van rijkdommen en macht baande de weg voor totale verovering en imperiale
overheersing. Britse ambtenaren, handelaren en investeerders "vergaarden
gigantische fortuinen," en "rijkdommen waar geen van had durven
dromen" (Parker). Dat gold met name voor Bengalen, vervolgt Keay , dat
"was vervallen en verarmd door een rampzalig experiment in 'regeren onder
auspiciën' "- een van die vele "experimenten" in de Derde
Wereld waarbij niet veel overbleef voor de proefpersonen zelf. Twee Engelse
India-historici, Edward Thompson and G.T. Garret, beschrijven de vroege geschiedenis
van Brits-India als "mischien wel het hoogtepunt van politiek gekonkel
en corruptie": "een goudkoorts beheerste het Engelse denken, met
niets te vergelijken, sinds de hysterie bezit nam van de Spanjaarden in de
tijd van Cortes en Pizarro. Met name Bengalen zou geen vrede meer kennen tot
het was leeggebloed." Het is veelzeggend, merken zij op, dat een van
de Hindoestaanse woorden dat in het Engels is opgenomen, het woord "loot"
(buit, roof, plundering) is. 12
Het lot van Bengalen laat zien wat de essentiële elementen van de wereldverovering
zijn. Calcutta en Bangladesh zijn nu dé symbolen van ellende en wanhoop.
De Europese krijgshandelaren zagen Bengalen daarentegen als een van de rijkste
schatten in de wereld. Een vroege Engelse bezoeker beschrijft Bengalen als
"een prachtig land, welks rijkdom en overvloed, door oorlog en verderf
noch door onderdrukking zou kunnen worden vernietigd." En lang daarvoor
had de Marokkaanse reiziger Ibn Battuta Bengalen beschreven als "een
land van grote mogelijkheden, en waar rijst is in grote overvloed. Sterker
nog, ik heb nog geen gebied op aarde aanschouwd waar de voorraden zo overvloedig
zijn." In 1757, hetzelfde jaar waarin de cruciale slag bij Plassey plaatsvond,
beschrijft Robert Clive het textielcentrum van Dacca als "uitgebreid,
dichtbevolkt en rijk als de stad London"; in 1840 was de bevolking teruggelopen
van 150.000 tot 30.000, aldus de verklaring van Sir Charles Trevelyan voor
een Speciale Commissie van het Hogerhuis, "en de jungle en malaria winnen
veld ... Dacca, het Manchester van India, is van een zeer bloeiende stad vervallen
tot een zeer arme en kleine stad." Het is nu de hoofdstad van Bangladesh.
Bengalen stond bekend om zijn fijne katoen, nu verdwenen, en om zijn voortreffelijke
textiel, nu geïmporteerd. Na de Britse overname pasten de Britten "iedere
denkbare vorm van schurkenstreken" toe, schrijft de Engelse handelaar
William Bolts in 1772: "Uitgebreid en ontelbaar zijn de methoden voor
het onderdrukken van de arme wevers ... zoals door middel van boetes, gevangenschap,
geseling, het afdwingen van contracten, enzovoorts." "De onderdrukking
en de monopoliën," door de Engelsen opgelegd, "zijn de oorzaak
van de neergang van de handel, afname van inkomsten, en de huidige rampzalige
handelstoestand in Bengalen."
Zich wellicht baserend op Bolts, wiens boek zich in zijn bibliotheek bevond,
schreef Adam Smith vier jaar later dat in het dunbevolkte en "vruchtbare
land" Bengalen "jaarlijks drie- of vierhonderdduizend mensen sterven
van de honger." Dit is het gevolg van de "onjuiste maatregelen"
en "onverstandige beperkingen" die de heersende Company oplegde
inzake de rijsthandel en die van "schaarste hongersnood" hebben
gemaakt. "Het was niet ongebruikelijk" voor functionarissen van
de Company om "een rijstveld of andere granen" om te ploegen "om
ruimte te maken voor een opium plantage ...wanneer de chef voorzag dat er
enorme winsten konden worden gemaakt met opium". De erbarmelijke toestand
in Bengalen "en in enkele andere Engelse nederzettingen" is te wijten
aan het beleid van "de handelsmaatschappij die Oost- Indië onderdrukt
en beheerst." Dit staat in scherp contrast, benadrukt Smith, met "de
engelbewaarder van de Britse grondwet die Noord-Amerika beschermt en bestuurt"-
een beschermming die alleen gold voor de Engelse kolonisten, niet voor de
"louter wilden", vergeet hij eraan toe te voegen.
De bescherming van de Engelse kolonisten was in werkelijkheid een nogal vreemd
instrument. Zoals Smith elders opmerkt, had Groot-Brittanië "een
totaal verbod voor het opzetten van molens opgelegd, in al zijn Amerikaanse
plantages" en werd de binnenlandse handel "van Amerikaanse producten"
aan zeer nauwe banden gelegd: "een maatregel waarmee het opzetten van
fabrieken voor [hoeden, wol, wolproducten] voor handel buiten de regio effectief
wordt voorkomen en waarmee de bedrijvigheid van de kolonisten beperkt wordt
tot inferieure en huisnijverheid, tot de dingen die families gewoonlijk alleen
voor zichzelf maken" of voor de naaste buren. Dit is een "duidelijke
overtreding van de meest heilige rechten van de mensheid," standaard
in de koloniale gebieden.
Onder de Britse Permanente Vestiging van 1793 in India, werd land geprivatiseerd,
hetgeen rijkdom opleverde voor de lokale heren en belastingen voor de Britse
heersers terwijl "de vestiging, die met grote zorg en overleg werd vormgegeven,
tot ons pijnlijk ongenoegen vrijwel de gehele lagere klassen heeft overgeleverd
aan de meest afschuwelijke onderdrukking," was de conclusie van een Britse
onderzoekscommissie in 1832, die daarmee nóg een kant liet zien van
het experiment. Drie jaar later komt de directeur van de Company met zíjn
verslag: "De ellende is met niets in de geschiedenis van de handel te
vergelijken. De botten van de katoenwevers kleuren de vlaktes van India wit."
Het experiment was echter niet geheel mislukt. "Als bescherming tegen
volkstumult en revoluties," merkt de Gouverneur-Generaal van India, Lord
Bentinck, op, "is het mijn overtuiging dat de 'Permanente Vestiging',
hoewel een mislukking in vele andere opzichten én in de meest essentiële,
toch het grote voordeel heeft opgeleverd dat een grote groep rijke grondbezitters
heeft gecreëerd, die sterk afhankelijk is van de continuiteit van het
Britse Dominium en die volledig heerst over de bevolking, "wier toegenomen
ellende daarom minder een probleem is dan het zou kunnen zijn." Terwijl
de plaatselijke nijverheid wegkwijnde, werd Bengalen overgeschakeld op exportlandbouw,
eerst indigo, later jute; Bangladesh produceerde meer dan de helft van de
wereldoogst in 1900, maar niet één molen ter verwerking ervan
werd ooit gebouwd tijdens de Britse overheersing. 13
Terwijl Bengalen werd geplunderd, bleef de Britse textielindustrie beschermd
tegen concurrentie uit India; een zaak van groot belang, omdat de producenten
in India een comperatief voordeel hadden in bedrukte katoenen stoffen op de
groeiende markt in Engeland. Een Britse Koninklijke Industrie Commissie van
1916-1918 memoreerde dat de Indiase industriële ontwikkeling "niet
inferieur was aan de meer ontwikkelde Europese landen", toen "handelsavonturiers
uit het Westen" arriveerden; het zou zelfs zo kunnen zijn "dat de
industrieën in India tot het begin van de industriële revolutie
veel verder ontwikkeld waren dan die in het Westen," merkt Frederick
Clairmonte op, citerend uit Britse studies. Regeringswetten uit 1700 en 1720
verboden de import van bedrukte stoffen uit India, Perzië en China; alle
goederen in strijd met dit bevelschrift dienden in beslag te worden genomen,
per opbod verkocht en geherexporteerd. Alle bedrukte katoen uit India werd
geweerd, inclusief "alle soorten kledingstukken of doeken ... die te
maken hadden met bedden, stoelkussens, gordijnen, of wat voor huishoudelijke
zaken of meubels dan ook." Later werd de Britse wet aangescherpt tegen
lokale stoffen in India zelf, om de Britse inferieure textiel op te dringen.
Zulke maatregelen waren onvermijdelijk, schrijft Horace Wilson in zijn History
of British India uit 1826: "Was dit niet gebeurd, dan zouden de molens
van Paisley en Manchester al bij voorbaat zijn stopgezet, en die zouden nauwelijks
nog in beweging te brengen zijn, zelfs niet met stoomkracht. Ze zijn ontstaan
door het offer van de fabrikanten uit India." Economisch historicus J.H.
Clapham concludeerde dat "deze restrictieve maatregel een belangrijke,
en men kan betogen een nuttige, stimulans voor de bedrukte textiel in Groot-Brittannië
was," de belangrijkste sector van de industriële revolutie. In de
19e eeuw bekostigde India meer dan tweevijfde van het handelstekort van Groot-Brittannië,
voorzag in afzetgebied voor de Britse producten, alsmede troepen voor de koloniale
veroveringen en de opium die het middelpunt vormde voor de handel met China. 14
"Een veelzeggend feit dat direct naar voren komt, is dat die delen van
India die het langste onder Britse heerschappij zijn geweest, tegenwoordig
de allerarmste gebieden zijn," schreef Jawaharlal Nehru: "Het is
zeker dat men een een soort tabel zou kunnen maken die de nauwe band laat
zien tussen de duur van de Britse heerschappij en de toenemende groei van
de armoede." India was halverwege de 18e eeuw in vergelijking met andere
landen een ontwikkeld land, en niet alleen op textielgebied. "De scheepsbouwindustrie
kende een bloeiende periode en één van de vlaggenschepen van
een Engelse admiraal ten tijde van de Napoleontische oorlogen was gebouwd
door een Indiaas bedrijf." Niet alleen textiel, maar ook andere traditionele
industrietakken zoals "scheepsbouw, metaalbewerking, glas, papier, en
talloze ambachten," gingen erop achteruit tijdens de Britse overheersing
waardoor de ontwikkeling van India stagneerde. De opkomst van nieuwe industrieën
werd geblokkeerd en India werd "een landbouwkolonie van het industriële
Engeland." Terwijl Europa urbaniseerde, ging de bevolking van India "in
toenemende mate op het platteland wonen", het deel van de bevolking dat
afhankelijk was van de landbouw nam snel toe, "dat was de daadwerkelijke,
fundamentele reden voor de afschuwelijke armoede van de Indiase bevolking,"
schrijft Nehru. In 1840 kon een Brits historicus voor de Parlementaire Onderzoekscommissie
nog de volgende verklaring afleggen: "India is in dezelfde mate een industrieel
als een boerenland; en hij die probeert het te reduceren tot een boerenland,
probeert het terug te plaatsen op de ladder van de beschaving," precies
wat er is gebeurd onder de Britse "despotische leiding," merkt Nehru
op. 15
De Braziliaanse economisch historicus José J. De A. Arruda die "de
koloniën als handelsinvestering," beoordeelt, komt tot de conclusie
dat de investeringen inderdaad zeer winstgevend waren, voor sommigen: voor
de Hollanders, de Fransen en met name de Engelsen, die bovendien de aan de
Portugese koloniale bezittingen gekoppelde aanwinsten verwierven; voor de
slavenhandelaren, de kooplui, de fabrikanten; en voor de koloniën in
Nieuw-Engeland wier ontwikkeling op gang werd gebracht door de driehoekshandel
tussen Engeland en de suikerkoloniën van West-Indië. De koloniale
wereld... was de belangrijkste schakel in de vroege accumulatie van kapitaal,
doordat hij voorzag in een economische groeimarkt." Deze situatie bevorderde
"een transfer van koloniale rijkdommen naar de moederlanden, die vervolgens
onderling vochten voor de toeëigening van koloniale overschotten,"
hiermee in belangrijke mate bijdragend aan de economische groei van Europa.
"DEZE KOLONIËN BETAALDEN," is zijn conclusie. Maar, voegt hij
eraan toe, deze berekeningen gaan voorbij aan het meest essentiële punt:
"winsten gingen naar individuen en de kosten werden gedragen door de
bevolking." De "kern van het systeem" is "maatschappelijke
verliezen" in combinatie met "de mogelijkheid van voortdurende vooruitgang
voor het kapitalisme" en voor de "particuliere schatkist van de
handelsbourgoisie." Kort samengevat, kosten voor de samenleving, winsten
particulier; dit is de te verwachten koers als de architecten van het systeem
dezelfden zijn als degenen die de verwachte winsten zullen opstrijken.
Pearson stelt de hypothetische vraag, of er een "alternatieve ontwikkeling
mogelijk zou zijn geweest die zou hebben geleid tot weerbaarheid tegen de
overheersing van de Europeanen," en de daarmee gepaard gaande onderontwikkeling.
Anders gezegd, hadden China, India en de overige landen die zuchtten onder
het Europese juk, iets kunnen uitrichten tegen "de aan hen opgedrongen
rol in de marge van de wereldeconomie, tegen onderontwikkeling en tegen het
leed van de handelsimperia die later overgingen in nog veel erger onheil brengende
koloniale imperia die werden gesteund door het economisch dominante West-Europa."
16
In zijn klassieke veroordeling van monopoliemacht en kolonisatie geeft Adam
Smith nuttig commentaar op het Britse beleid waarbij hij soms hetzelfde te
berde brengt als Arruda. Hij beschrijft dit beleid met enige ambivalentie
en komt uiteindelijk tot de conclusie dat ondanks de grote voordelen die Engeland
genoot door zijn koloniën en het monopolie op handel met hen, de praktijk
zich op de lange termijn niet uitbetaalde, in Azië noch in Noord-Amerika.
Zijn stelling is voornamelijk theoretisch; geschikte feiten waren niet voorhanden.
Maar hoe overtuigend argumenten voor de stelling ook zouden zijn, Smith's
betoog maakt ook duidelijk waarom het daar niet om draait. Het opgeven van
de koloniën mag dan "gunstiger zijn voor de overgrote meerderheid
van de bevolking" van Engeland, is zijn conclusie "maar minder gunstig
voor de handelaren dan het monopolie waarvan zij thans de vruchten plukken."
Het monopolie, "hoewel een afschuwelijke belasting voor de koloniën,
en hoewel het gunstig is voor de inkomsten van een bepaalde klasse mensen
in Groot-Brittanië, verhoogt voor het overgrote deel van de bevolking
de belasting in plaats van dat het deze verlaagt." De militaire kosten
alleen al zijn een zware last, los van de effecten op investering en handel.
Voor een grote meerderheid van de Engelse bevolking zou het zo kunnen zijn
dat het monopolie op Oost-Indië en de Noord-Amerikaanse koloniën
inderdaad "dwaasheden" waren, zoals Smith beweert, die zelfs "afschuwelijke"
gevolgen hadden voor de Engelse kolonisten. Maar voor "de bedenkers van
dit hele handelssysteem," was het absoluut niet dwaas. "Onze handelaren
en fabrikanten zijn verreweg de belangrijkste architecten geweest," en
met hun belangen is in het systeem "op uitzonderlijke wijze rekening
gehouden", en niet met de belangen van de consumenten en de werkende
mensen. Met de belangen van de eigenaren van de 'aandelen met een gouden randje'
van de Company en van anderen die rijkdommen verwierven die hun stoutste dromen
te boven gingen, werd ook "op uitzonderlijke wijze rekening gehouden."
De kosten werden gedragen door de samenleving, de winsten vloeiden in de schatkisten
van de "belangrijkste architecten". Het beleid dat zij nastreefden
was uitgaande van hun duidelijk omlijnde zelfbelang rationeel, hoe groot de
schade voor anderen dan ook mocht zijn, bijvoorbeeld voor de algemene bevolking
van Engeland. 17
De conclusie van Smith, dat "onder het huidige managementsysteem,
de heerschappij die Groot-Brittanië heeft over zijn koloniën het
land niets dan verlies," oplevert, is uitermate misleidend. Als men kijkt
vanuit de mogelijke beleidskeuzes dan was Groot-Brittannië geen eenheid.
"De rijkdom van landen" is niet van belang voor de "architecten
van het beleid," die, zoals Smith benadrukt, op hun eigenbelang uit zijn.
De gevolgen voor het gewone volk zijn voor hen van net zo groot belang als
het lot van de "louter wilden" die in de weg lopen. Als een "onzichtbare
hand" in sommige gevallen ook voor anderen gunstig uitpakt, dan is dat
bijzaak. Door zich in de discussie te richten op de "rijkdom van landen"
en wat het "voor Engeland oplevert" gaat Smith voorbij aan de kern
van het probleem, en mist hij de veel crucialere vragen over macht, alhoewel
Smith er in zijn uitvoerigere discussie beperkingen en correcties aan toevoegt.
Deze cruciale beperkingen worden in de huidige ideologie in de handen van
de moderne Smith-discipelen simpelweg weggelaten. Zo schrijft George Stigler
in zijn inleiding van de 200-jarige herdenkingsuitgave van Smith's klassieker,
dat "Amerikanen zijn ideeën over de Amerikaanse koloniën zeer
leerzaam vinden. Het was zijn overtuiging dat er inderdaad sprake van uitbuiting
was - maar van de Engelsen door de kolonisten." Waar Smith in werkelijkheid
van overtuigd was, was dat de Engelsen werden uitgebuit door een "bepaalde
klasse van mensen" in Engeland die de architecten van het beleid vormde
ten behoeve van hun eigen belangen, en tevens een "afschuwelijke belasting"
voor de koloniën. Door Smith's nadruk op de fundamentele klassentegenstellingen
alsmede de cruciale gevolgen voor het beleid te veronachtzamen, worden zijn
ideeën vervalst, en wordt een volledig verkeerde voorstelling gegeven
van de feiten, alhoewel er een bruikbaar instrument wordt gecreëerd ter
misleiding, in dienst van rijkdom en macht. Dit zijn de algemene kenmerken
van het huidige debat over internationale zaken. En dat geldt voor veel meer
kwesties: de veroordeling van de schadelijke effecten van het Pentagonsysteem
op de economie, bijvoorbeeld, is op zijn best zeer misleidend als er geen
nadruk op wordt gelegd dat voor de architecten van het beleid en de belangen
die zij vertegenwoordigen (met name geavanceerde industrieën), de effecten
nauwelijks schadelijk zijn geweest.
Het zou niet moeten verbazen dat maatschappelijk beleid heel vaak een steunproject
voor de rijken en machtigen blijkt te zijn. Met name het imperiale systeem
is één van de vele trucs waarmee de gewone bevolking haar meesters
financieel begunstigt. En hoewel de studies over de kosten-effectiviteit van
imperium en overheersing voor de rijkdom van "het land" academisch
gezien interessant kunnen zijn, ze zijn van zeer marginaal belang voor de
studie van beleidsvorming in maatschappijen, waarvan van het gewone volk wordt
verwacht dat het zich niet met dit soort zaken bemoeit - dat wil zeggen, in
alle bestaande maatschappijen.
Deze conclusies hebben echter een nog veel bredere toepasbaarheid. Zoals al
aangegeven door het voorbeeld van het Pentagonsysteem, dezelfde overwegingen
zijn toepasbaar op zowel binnenlands als internationaal beleid. Staatsmacht
werd niet alleen aangewend om sommigen rijkdommen te verschaffen die hun stoutste
dromen te boven gaan terwijl ze funest waren voor de onderworpen buitenlandse
gemeenschappen, maar staatsmacht was ook van doorslaggevend belang voor het
verankeren van een systeem van privileges in het eigen land. In het begin
van het moderne Holland en Engeland legden de regeringen de infrastructuur
voor de kapitalistische ontwikkeling, werden cruciale en kwetsbare industrieën
(wol, visserij) beschermd en onderworpen aan nauwe regulering, en werd het
geweldsmonopolie toegepast om een loon- en arbeidscultuur op te leggen aan
voorheen onafhankelijke boeren. Eeuwen geleden "werden Europese gemeenschappen
ook gekoloniseerd en geplunderd, minder catastrofaal dan in Noord- en Zuid-Amerika
maar erger dan in Azië," (Thomas Brady): "De snelle economische
ontwikkeling die op de Engelse manier werd bereikt, bleek extreem destructief,
zowel voor de traditionele eigendomsrechten in Engeland als voor organisatiestructuren
en culturen in de gehele wereld." Er voltrok zich een proces van "rurale
pacificatie" in de zich ontwikkelende landen van Europa. "De massale
onteigening van boeren, die in de meest extreme vorm eigenlijk alleen in Engeland
plaatsvond," vormde waarschijnlijk de basis voor de snellere economische
ontwikkeling aldaar. De Engelse boeren werden eigendomsrechten afgenomen,
die ze in Frankrijk konden behouden, en werden gedwongen de arbeidsmarkt op
te gaan; "het was juist de afwezigheid van [vrijheid en eigendomsrechten]
die het begin van daadwerkelijke economische ontwikkeling in Engeland vergemakkelijkte,"
stelt Robert Brenner in zijn diepgravend onderzoek naar de bronnen van het
Europese kapitalisme. Het gewone volk had redenen te over om zich te verzetten
tegen de "mars van de vooruitgang," of om deze af te wenden in een
andere richting ter bescherming of ter uitbreiding van andere waarden: "ideeën
van gemeenschap, van samenzijn, van het geheel dat meer is dan de delen en
van het algemeen welzijn dat het welzijn van slechts enkelen overstijgt."
(Brady).
Dit soort ideeën bezielde de "enorme volksbewegingen" van het
voor-kapitalistische Europa, schrijft Brady, en "bracht elementen van
zelfbestuur in handen van de Gewone Man." Het veroorzaakte daarmee "minachting
en soms angst bij de traditionele elites." De gewone mensen die streefden
naar vrijheid en het algemene belang waren "ambachtslieden van stront,"
"gespuis" ("canaille"), die zouden moeten "sterven
van de honger." Ze werden veroordeeld door Keizer Maximiliaan als "verdorven,
grove, domme boeren, bij wie men geen deugden zal aantreffen, noch edel bloed,
noch gepaste gematigdheid, maar slechts ongematigd vertoon, onbetrouwbaarheid,
en vijandschap tegenover de Duitse natie"- de "anti-amerikanen"
van die tijd. De democratische opleving in het Engeland van de 17e eeuw leidde
tot een felle afkeuring van het "schorem van de grote massa," "de
beesten in de vorm van mensen," "verdorven en corrupt." De
theoretici van democratie in de twintigste eeuw adviseren dat "het volk
zijn plaats gewezen moet worden," opdat de "verantwoordelijke mensen"
"geen last hebben van het getrappel en het gebrul van een verwarde kudde,"
van "onwetende en bemoeizieke buitenstaanders" die enkel mogen fungeren
als "geïnteresseerde toeschouwers van de gebeurtenissen", geen
deelnemers. Zo nu en dan mogen ze zich uitspreken voor één van
de leden van de leidersklasse (verkiezingen), om zich vervolgens weer met
hun eigen zaakjes bezig te houden (Walter Lippmann). Het overgrote deel van
de "onwetende en zwakzinnige" bevolking, moet zijn plaats kennen
in het belang van allen, gevoed met "noodzakelijke illusies" en
"emotioneel krachtige simplificaties" (Wilson's minister van Buitenlandse
Zaken Robert Lansing, Reinhold Niebuhr). Hun "conservatieve" tegenhangers
zijn slechts wat extremer in hun verering van de Verstandige Mensen die de
rechtvaardige heersers zijn - in dienst van de rijken en machtigen, iets wat
maar al te vaak wordt vergeten. 18
Het gepeupel moet de waarden der ondergeschiktheid en een bekrompen zucht
naar persoonlijk gewin worden bijgebracht, binnen de door de instituten van
de meesters bepaalde grenzen. Daadwerkelijke democratie, met georganiseerde
burgers en participatie, is een gevaar dat moet worden bestreden. Ook dit
zijn eeuwige thema's, die alleen van vorm veranderen.
De genuanceerde interpretatie van Adam Smith over de rol van de staat in de
internationale handel is ook van toepassing op het thuisfront. Zijn lofzang
op de "arbeidsdeling" in zijn inleidende woorden zijn overbekend:
deze is de bron van "de grootste toename van de arbeidsproductiviteit
en zij is dit des te meer naarmate zij met meer bekwaamheid en verstand wordt
voorgeschreven of toegepast". Zij vormt de basis van de "rijkdom
der landen." De belangrijkste verdienste van de vrije handel, stelt hij,
is dat deze hieraan bijdraagt. Veel minder bekend is zijn afkeuring van de
onmenselijke gevolgen van de arbeidsdeling wanneer deze haar natuurlijke grens
bereikt. "Het geestelijk kunnen van de meeste mensen is een noodzakelijk
gevolg van hun alledaagse werkzaamheden," schrijft hij, "de man
die zijn leven vult met het verrichten van enkele eenvoudige handelingen,
waarvan waarschijnlijk de resultaten eveneens altijd hetzelfde of bijna hetzelfde
zijn, heeft geen gelegenheid om zijn verstand te gebruiken... en wordt gewoonlijk
zo dom en onwetend als een menselijk wezen maar kan zijn... Maar in iedere
hogere en beschaafde samenleving zal dit de toestand zijn, waarin de werkende
armen, dat wil zeggen, de meerderheid van de mensen, noodzakelijkerwijze zullen
vervallen tenzij de regering moeite doet dit te voorkomen." De maatschappij
moet manieren zien te vinden om de duivelse gevolgen van de "onzichtbare
hand" te vermijden.
Andere belangrijke personen uit de klassieke liberale traditie gaan veel verder.
Wilhelm von Humboldt, die een grote invloed had op John Stuart Mill, beschrijft
het "voornaamste grondbeginsel" van zijn denken, als "het absolute
en essentiële belang van de ontwikkeling van de mens in zijn meest rijke
diversiteit," een grondbeginsel dat niet alleen ondermijnd wordt door
de beperkte zucht naar efficiency middels arbeidsdeling, maar bovenal door
het begrip loonarbeid. "Al wat niet ontspringt aan de vrije wil van een
persoon, of wat het resultaat is van instructie en begeleiding, maakt geen
deel uit van zijn eigen natuur; hij vervult het niet met echte menselijke
energie, maar slechts met mechanische juistheid"; als een arbeider werkt
als gevolg van externe dwang, dan "kunnen we bewonderen wat hij maakt,
maar we verachten wat hij is." 19
De bewondering van Smith voor de individuele ondernemer werd nog meer getemperd
door zijn minachting voor "het verachtelijke principe van de heersers
van de mensheid": "Alles voor onszelf, en niets voor andere mensen."
Ofschoon het "lage" en "gierige" winstbejag van de meesters
incidenteel iets kan opleveren is het slechts mysticisme om daarop te vertrouwen.
Dit staat dan nog volledig los van een veel dieper geworteld onvermogen om
het "voornaamste grondbeginsel" van het klassiek liberale gedachtegoed
te begrijpen, dat door Humboldt benadrukt wordt. Wat van dit gedachtegoed
in de hedendaagse ideologie overblijft, is een lelijk en misvormd beeld, uitgebroed
in het belang van de meesters. 20
Centraliseren van de staatsmacht, toegespitst op de verrijking van enkelen
en de uitoefening van gezag, en het rationeel en georganiseerd toepassen van
geweld zijn twee van de blijvende kenmerken van de Europese verovering. Andere
kenmerken zijn de kolonisatie van de eigen bevolking, als gevolg waarvan de
armen de rijken ondersteunen, en de minachting voor democratie en vrijheid.
Even hardnekkig zijn de zelfrechtvaardigingen waarmee plunderingen, slachtingen
en onderdrukking in een mooi jasje worden gestoken.
Een vooraanstaand liberaal, die in 1840 in Oxford college gaf en bekend was
met wat zich in Bengalen en de rest van India afspeelde, prees het "Britse
beleid der koloniale verlichting," dat "contrasteert met dat van
onze voorouders," die hun koloniën "onderwierpen om er bepaalde
financiële voordelen voor henzelf aan over te houden," waar wij
"hen financiële voordelen geven, en onszelf belastingen opleggen
voor hun welzijn met als doel het voor hen interessant te maken om onder onze
heerschappij te blijven, zodat wij het genoegen hebben hen te besturen."
We "besturen hen louter door de kracht van ons karakter, zonder het gebruik
van geweld," verklaarde Lord Cromer, de feitelijke bestuurder van Egypte
van 1883 tot 1906: wij zijn hiertoe in staat omdat de Engelsen "het goed
ontwikkelde vermogen bezitten om de sympathie en het vertrouwen te winnen
van ieder primitief ras waarmee ze in contact zijn gekomen." Zijn collega,
Lord Curzon, onderkoning van India, verkondigde: "In het Imperium hebben
we niet alleen de sleutel gevonden voor roem en rijkdom, maar tevens het plichtsbesef
en de middelen om de mensheid te dienen." De vroege Hollandse veroveraars
waren er zeker van dat handelaren uit alle landen in groten getale bij de
VOC zouden komen, omdat "de goede oude vrije levensgewoonten van ons
land zeer geroemd worden." Het Zegel van de Gouverneur en de Company
van Massachusetts Bay in 1629 wordt uitgebeeld door een Indiaan die smeekt
"Kom en help ons." De geschiedenis puilt uit van de beschavingsmissies,
liefdadigheidswerken, de goede zaak, humanitaire interventies, de wil van
god etcetera. Als we de meesters van de onbaatzuchtigheid op hun woord moeten
geloven dan is de hemel tot de nok toe gevuld. 21
En alle inspanningen zijn niet tevergeefs. Onder de welopgevoede klassen hebben
de sprookjes over rechtvaardige missies en liefdadigheid het niveau bereikt
van heilige waarheden en bij grote delen van de gewone bevolking lijkt dit
eveneens het geval te zijn. In 1989 geloofde de helft van de Amerikaanse bevolking
dat buitenlandse hulp het grootste deel van de overheidsbegroting besloeg.
In werkelijkheid besteden de VS van alle geïndustrialiseerde landen hieraan
het minste. In de begroting is buitenlandse hulp nauwelijks te bespeuren,
een krenterige 0,21% van het Bruto Nationaal Product. Zij die hun oren laten
hangen naar hun leermeesters zouden zelfs kunnen geloven dat "Cadillacs
voor bijstandsmoeders" als eerstvolgende uitgave op de begroting staat. 22
De onderworpen volkeren hebben vreemde manieren om hun dankbaarheid te tonen.
Voor de belangrijkste persoon van het moderne Indiase nationalisme, zou de
"enige passende vergelijking" voor de Onderkoning "die met
Hitler zijn." De ideologie van de Britse overheersing "was er een
van het Herrenvolk en het heersersras," een idee dat "inherent is
aan het imperialisme" en dat "door de autoriteiten in ondubbelzinnige
taal werd uitgedragen". En zij bleek duidelijk in de dagelijkse praktijk.
De Indiase bevolking werd onderworpen aan belediging, vernedering en minachtende
behandeling." Nehru, schrijvend vanuit een Britse cel in 1944, ging niet
voorbij aan de goede bedoelingen van de overheersers:
De bezorgdheid van de Britse industriëlen en economen om de Indiase boer was een ware zegening. Dit in overweging nemende, alsmede de liefhebbende zorg van de Britse Regering in India, kan men enkel en alleen tot de conclusie komen dat een almachtig en kwaadaardig lot, een bepaalde bovennatuurlijke instantie, hun goede bedoelingen en maatregelen heeft gedwarsboomd en van de boer in India een van de armste en meest beklagenswaardige wezens op aarde heeft gemaakt. 23
Nehru was een soort gentleman. Anderen hebben zich over dit soort dingen
een stuk minder genuanceerd uitgelaten, hoewel de Westerse cultuur hiervoor
grotendeels immuun is gebleven.
Het is niet helemaal eerlijk om te beweren dat er over gruweldaden nooit iets
wordt gezegd. Een van de meest beruchte massamoordenaars was koning Leopold
van België, verantwoordelijk voor de dood van misschien wel 10 miljoen
mensen in de Kongo. Zijn bijdragen en gebreken zijn nauwkeurig vastgelegd
in de Encyclopaedia Britannica. Hierin wordt geschreven over het "gigantische
fortuin" dat hij vergaarde door "dit reusachtige gebied te exploiteren."
In de laatste regel van het lange artikel staat: "maar hij was streng
voor de inboorlingen van zijn verre bezit." Vijftig jaar later tikt Richard
Cobban, in zijn History of Modern France, bij verstek Lodewijk XVI op zijn
vingers omdat hij te kort schoot in het beschermen van de Franse belangen
in West-Indië. Over de slavenhandel, waarop deze belangen berustten,
wordt zo tussen haakjes ook nog een opmerking geplaatst: "de morele kant
daarvan is tot op heden nog nauwelijks onderwerp van discussie." Daar
valt geen speld tussen te krijgen. 24
De voorbeelden liggen voor het oprapen.
Verder naar Deel 2:
2. "Het Vellen van Bomen en Indianen"
3. Ongeëvenaarde goedertierendheid
Hyper-Noten
| 1 | Höfer, Fünfhundert-järiche Reich. Zie Stannard, American Holocaust. |
| 2 | Stavrianos, Global Rift, 276. |
| 3 | Smith, Wealth of Nations, Bk. IV, Ch. VII, Pt. III (ii, 141); Bk. IV, Ch. I (i,470). Hegel, Philosophy, 108-9, 81- 2, 93-6; "de Duitse wereld" omvat vermoedelijk ook Noord-West Europa. Over het lot van de Geest-arme louter wilden, en de verdraaiingen, zie Jennings, Invasion; Lenore Stiffarm met Phil Lane in Jaimes, State; Stannard, American Holocaust. |
| 4 | Jan Carew, Davidson, Race & Class, Jan.-March 1992 |
| 5 | Pearson, in Tracy, Merchant Empires, citeert Niels Steensgaard. Brewer, Sinews, xv, 64. |
| 6 | Keynes, A Treatise on Money, geciteerd door Hewlett, Cruel Dilemmas. Pearson, Brady, in Tracy, Merchant Empires (Andrews en Angus Calder (over de Kelten) geciteerd door Brady); Brewer, Sinews, 11, 169 (Brits-Hollandse oorlogen). Hill, Nation. Smith, Wealth, Bk. IV, Ch. II (i, 484f.); Bk. IV, Ch. VII, Pt. III (ii, 110ff.). Over de overdracht van de in de Keltische randgebieden ontwikkelde vaardigheden naar Noord-Amerika, zie Jennings, Invasion, Empire. Voor een levendige beschrijving van de Brits-Hollands-Portugese oorlogen, zie Keay, Honorable Company. |
| 7 | Ibid., 281; Parker, K.N. Chaudhuri (citeert Ibn Jubayr), in Tracy, Merchant Empires. Smith, Wealth, Bk. V, Ch. III (ii, 486). Zie ch. 1.2. |
| 8 | Tracy, Pearson, in Tracy, Merchant Empires. |
| 9 | Brewer, Sinews, xiiif., 186, 89f. 100, 127, 167. |
| 10 | Pearson, op. cit. Smith, Wealth, Ch. VII, Pt. III (ii, 110ff.); Bk. IV, Ch. II (i, 483). |
| 11 | Ibid., Bk. I, Ch. X, Pt. II (i, 150). Stigler, preface. Morris, American Revolution, 34. Over de oorlog in de Pacific, zie ch. 10, hieronder. |
| 12 | Keay, Honorable Company, 170, 220-1, 321; Parker, op. cit. Thompson en Garrett, Rise and Fulfillment of British Rule in India, 1935, geciteerd door Nehru, Discovery, 297. |
| 13 | Hartman en Boyce, Quiet Violence, ch. 1. Bolts, Considerations on Indian Affairs, 1772, geciteerd door Hartman en Boyce en door de editor van Smith, Wealth, ii, 156n. Ibid., Bk. I, Ch. VIII (i, 82); Bk. IV, Ch. V (ii, 33); Bk. IV, Ch. VII, Pt. III (ii, 153); Bk. IV, Ch. VII, Pt. II (ii, 94-5). Trevelyan, Bentinck, geciteerd door Clairmonte, Economic Liberalism, 86n., 98. Nehru, Discovery, 285, 299, 304. |
| 14 | De Schweinitz, Rise and Fall, 120-1, citeert economisch historicus Paul Mantoux (over de Actes) en Clapham's "voorzichtige" economische geschiedenis van Groot-Brittanië. Clairmonte, Economic Liberalism, 73, 87 (Wilson). Jeremy Seabrook, Race & Class, July-Sept. 1992. Hewlett, Cruel Dilemmas, 7. |
| 15 | Nehru, Discovery, 296-9, 284. Zie Clairmonte, Economic Liberalism, ch. 2, voor veel ondersteunend bewijs. |
| 16 | Arruda, Pearson, in Tracy, Merchant Empires. |
| 17 | Smith, Wealth, Bk. IV, Ch. VII, Pt. III (ii, 131-3, 147); Bk. IV, Ch. VIII (ii, 180-1). |
| 18 | Brady, in Tracy, Merchant Empires. Brenner, in Aston and Philpin, Brenner Debate, 62; zie met name ch. 10. DD, ch. 12. |
| 19 | Smith, Wealth, Bk. I, Ch. I (i, 7); Bk. V, Ch. I, Pt. III, Art. II (ii, 302-3). In de gedetaileerde index wordt onder de ingang "division of labor" geen vermelding gemaakt van Smith's veroordeling van de gevolgen. Humboldt, zie FRS. |
| 20 | Smith, Wealth, Bk. III, Ch. IV (i, 437). |
| 21 | Herman Merivale, geciteerd door Clairmonte, Economic Liberalism, 92. Cromer, Curzon, geciteerd door de Schweinitz, Rise and Fall, 16. Nederlandse Gouverneur-Generaal J. P. Coen geciteerd door Tracy, in Tracy, Merchant Empires, 10-11. Zegel, Jenning, Invasion, 228. |
| 22 | David Gergen, Foreign Affairs, America and the World, 1991-92. |
| 23 | Nehru, Discovery, 293, 326, 301. |
| 24 | Britannica, 9th edition, 1910; Cobban's 1963 History (vol. 1, 74), cited by Edward Herman, Z magazine, April 1992 |