Macht en Mening
Van Noam Chomsky
|
Dit artikel vormt het laatste hoofdstuk uit Chomsky's Deterring Democracy. De gehele versie met voetnoten verscheen in twee delen als bijlage bij Extra! nr. 4 en 5. Het is in papiervorm te bestellen door € 2,50 (incl. verzendkosten) over te maken op 52.85.56.304 t.n.v. Extra! onder vermelding van Macht en Mening.
Inhoudsopgave |
|
In zijn studie naar de Schotse intellectuele traditie stelt George Davie vast dat haar belangrijkste thema de erkenning van de fundamentele rol van de "aangeboren cognitieve concepten (natural beliefs) oftewel de principes van het gezonde verstand is, zoals het concept van een onafhankelijke buitenwereld, het concept van oorzaak en gevolg, het concept van absolute normen en het concept van de onafhankelijkheid van het bewustzijn." Aangenomen wordt dat deze principes een regulerend karakter hebben; hoewel ze nooit rotsvast zijn gefundeerd, verschaffen ze de basis voor het denken en het begrijpen. Davie wijst er op dat sommigen beweren dat ze een "een onherleidbaar mysterieus element" bevatten terwijl anderen hoopten ze rationeel te kunnen onderbouwen. Hierover is het laatste woord nog niet gesproken.1
Deze ideeën werden voor het eerst geopperd door 17e eeuwse filosofen als reactie op de door het scepticisme veroorzaakte crisis van die tijd, door weliswaar te erkennen dat er geen absolute basis is voor kennis maar dat we niettemin over methoden beschikken die kunnen leiden tot betrouwbare inzichten in de wereld en dat we deze inzichten kunnen verbeteren en toepassen - in wezen het standpunt van de moderne wetenschapper. Ieder weldenkend mens vertrouwt in het dagelijkse leven eveneens op de principes van het gezond verstand, zonder echter uit het oog te verliezen dat ze hun beperkingen kunnen hebben of misleidend kunnen zijn en hij hoopt ze te verfijnen of te wijzigen als zijn inzichten toenemen.
Dat de Schotse filosofie deze wending heeft genomen en de filosofie over
het algemeen heeft geleerd de juiste vragen te stellen is volgens Davie te
danken aan David Hume. Een vraagstuk dat Hume bezig hield is speciaal van
belang voor het thema van dit hoofdstuk. Nadenkend over de 'Eerste Principes
van het Regeren' vond Hume niets verbazingwekkender dan "het gemak waarmee de meerderheid wordt geregeerd door de minderheid
en de stilzwijgende onderwerping waarmee mensen hun eigen verlangens en gevoelens
ondergeschikt maken aan die van hun meesters. Als we onderzoeken op welke
manier dit wonder tot stand wordt gebracht dan zullen we er achter komen dat,
aangezien de geregeerden de machtsmiddelen tot hun beschikking hebben, de
regenten geen andere steun hebben dan opinievorming. Regeringsmacht is om
deze reden alleen op opinievorming gebaseerd en deze stelregel is ook geldig
voor de meest despotische en gewelddadige regeringsvormen alsook voor de meest
vrije en democratische."
Hume was een scherpzinnige waarnemer en met zijn paradox van het regeren slaat
hij de spijker op zijn kop. Zijn inzicht verklaart waarom elites zo zijn gepreoccupeerd
met indoctrinatie en gedachtecontrole, een belangrijk en grotendeels verwaarloosd
thema in de moderne geschiedenis. "De burgers moeten hun plaats kennen,"
schreef Walter Lippmann zodat we "niet gestoord worden door het gestamp
en het lawaai van de verwarde kudde" wiens enige "functie"
het is om "langs de kantlijn geïnteresseerd toe te kijken"
echter niet om deel te nemen. En als de staat niet de macht heeft om de kudde
in bedwang te houden en de burgers hun stem verheffen dan is het noodzakelijk
er voor te zorgen dat ze de juiste dingen roepen precies zoals gerespecteerde
intellectuelen al vele jaren adviseren. 2
Naar aanleiding van Hume's analyse rijzen er een aantal vragen. Zijn vaststelling dat het volk de machtsmiddelen (waaronder geweld) tot zijn beschikking heeft is nogal dubieus. De werkelijkheid is een stuk grimmiger. Het grootste deel van de geschiedenis ondersteunt de tegenovergestelde these zoals deze een eeuw eerder werd geformuleerd door de voorstanders van de parlementaire democratie tegenover de monarchie maar, nog belangrijker, tegenover het volk: dat "De macht van het zwaard de grondslag is en altijd is geweest van iedere (aanspraak op) regeringsmacht."3 Geweld op basis van macht kent ook subtielere vormen waaronder een heel scala aan middelen om schade aan toe te brengen als men weigert zich te onderwerpen. Desondanks is Hume's paradox waar. Zelfs despotische macht is gewoonlijk gebaseerd op een zekere mate van instemming, maar het uit handen geven van rechten is het kenmerk van vrijere samenlevingen - een gegeven dat nader geanalyseerd dient te worden.
Dat de waarheid ook een grimmiger kant heeft, wordt geïllustreerd door het lot van de sociale bewegingen gedurende de laatste tien jaar. In de satellietstaten van de voormalige Sovjet Unie regeerden de machthebbers door onderdrukking en niet door opinievorming. Toen de onderdrukking werd stopgezet stortten deze breekbare repressieve machtsstructuren snel en bijna zonder bloedvergieten in. Deze opmerkelijke successen hebben tot enige euforie geleid over de kracht van "liefde, tolerantie, geweldloosheid, de menselijke spiritualiteit en vergevingsgezindheid," aldus Vaclav Havel in een poging te verklaren waarom de politie en het leger er niet in zijn geslaagd om de Tsjechische opstand neer te slaan.4 Hoewel een troostende is dit een illusoire gedachte zoals zelfs de meest vluchtige blik op de geschiedenis laat zien. De belangrijkste oorzaak was niet een of andere nieuwe vorm van liefde en geweldloosheid. Van dat front was er geen nieuws. Het was veeleer het gevolg van het feit dat de Sovjet-Unie zich uit de regio terugtrok waardoor de door haar ingestelde dwangregimes ineenstortten. Zij die iets anders geloven kunnen hun licht opsteken bij de geest van aartsbisschop Romero en talloze anderen die hebben getracht het hoofd te bieden aan terreur door middel van spiritualiteit.
De recente gebeurtenissen in Oost- en Midden Europa staan in schril contrast met de historische norm. Gedurende de hele moderne geschiedenis hebben burgers, geïnspireerd door radicale democratische waarden, zich georganiseerd om onderdrukkende regimes te bestrijden. Soms slaagden deze volksbewegingen er in om hun vrijheden en rechten uit te breiden totdat ze tot staan werden gebracht. Vaak genoeg echter worden ze doodgewoon vermorzeld. Maar het is moeilijk een ander voorbeeld te verzinnen waarin de gevestigde orde zich zo gemakkelijk door het volk aan de kant liet zetten. Niet minder opmerkelijk is het gedrag van de heersende supermacht die deze ontwikkelingen niet alleen niet met geweld een halt heeft toegeroepen zoals in het verleden, maar ze, te samen met belangrijke interne veranderingen zelfs heeft aangemoedigd.
Illustratief voor de historische norm is het voorbeeld van Midden-Amerika waar iedere poging van het volk om de wrede dictaturen van de oligarchieën en de militairen omver te werpen stuitte op moorddadig geweld. Geweld dat werd gesteund of rechtstreeks werd georganiseerd door de dominante macht in dit werelddeel. Tien jaar geleden was er door de opkomst van zelfhulpgroepen, vakbonden, boerenorganisaties, christelijke basisgroepen en andere organisatieverbanden van burgers, die de voorhoede vormden op weg naar democratie en sociale hervormingen, nog enige hoop dat er een eind zou komen aan de inktzwarte tijden van terreur en ellende. Dit vooruitzicht leidde tot een keiharde reactie van de Verenigde Staten en haar cliënten die over het algemeen werd gesteund door de Europese bondgenoten. Deze reactie bestond uit een campagne van moord, marteling en algehele wreedheid waardoor samenlevingen overbleven die "getekend zijn door terreur en paniek", door "collectieve intimidatie en algehele angst" en door een "geïnternaliseerde acceptatie van de terreur," aldus een kerkelijke mensenrechtenorganisatie uit El Salvador (zie verderop). De eerste schreden om in Nicaragua de situatie van de arme meerderheid door middel van herverdeling van land en rijkdommen te verbeteren, beantwoordde Washington met economische en ideologische oorlogvoering en openlijke terreur om deze misdaden te bestraffen en de economie en het sociale leven te verwoesten.
De verlichte westerse publieke opinie beschouwt zulke resultaten als een
succes als hierdoor het gevaar voor de heersende elites de kop in wordt gedrukt
en er geschikte doelen worden uitgekozen: het en plein publique doden van
vooraanstaande priesters is niet zo snugger, maar voorvechters van landbouwhervormingen
en vakbondsleiders zijn daarentegen vogelvrij - en natuurlijk gewone boeren,
indianen, en studenten. Kort na de moord op de Jezuïeten in El Salvador
in november 1989, verstuurde AP correspondent Douglas Grant Mine een verslag
met de titel "Tweede bloedbad in El Salvador maar nu onder burgers."
Het bericht hoe soldaten een arbeidersbuurt binnentrekken, zes mannen oppakken,
ze tegen een muur zetten en ze, nadat ze er voor de goede orde ook nog een
14-jarige jongen aan hadden toegevoegd, vermoordden. Zij "waren geen
priesters of mensenrechtenactivisten," schreef Mine, "dus is hun
dood bijna onopgemerkt voorbijgegaan" - net als zijn verslag overigens
dat werd doodgezwegen. Wel beschouwd was dit gewoon weer een nieuwe episode
in de wrede uitbarsting van marteling, verwoesting en moord die minister van
buitenlandse zaken James Baker de volgende dag op een persconferentie prees
als "zonder meer gepast" - hetgeen geen enkel commentaar uitlokte,
het zoveelste bewijs van ons beschavingsniveau.
Mine vergist zich echter als hij denkt dat er wel aandacht wordt besteed aan
de moord op geestelijken en mensenrechtenactivisten. Dit strookt niet met
de werkelijkheid, hoewel men een al te brutale moord als onverstandig beschouwd.5
"In dezelfde week dat de Jezuïeten werden vermoord," schrijft
Midden-Amerika correspondent Alain Nairn, "werden tenminste 28 andere
burgers op vergelijkbare wijze vermoord." Onder hen bevonden zich de
leider van de vakbond van het waterbedrijf, de leider van de organisatie van
vrouwelijke academici, negen leden van een indiaanse landbouwcoöperatie
en tien studenten. Bovendien leidt grondig onderzoek naar de moorden in El
Salvador direct naar Washington.6 Dit alles is echter "zonder meer gepast"
en is daarom niet de moeite waard om te vermelden of om je zorgen over te
maken. En zo blijven de wreedheden zich week na week opstapelen.
Het verschil tussen de satellietstaten van de Sovjet-Unie en de VS is zo opvallend
dat het een fikse dosis toewijding vereist om het niet te zien en buiten westerse
intellectuele kringen beschouwt men het dan ook als een gemeenplaats. Een
schrijver in het Mexicaanse dagblad Excelsior die beschrijft hoe de relaties
tussen de VS en Latijns-Amerika verslechterden gedurende de jaren '80 becommentarieert
het "opvallende verschil" tussen het gedrag van de Sovjet-Unie jegens
haar satellietstaten en "het beleid van de VS op het westelijk halfrond
waar starre onverdraagzaamheid, interventies en de toepassing van methoden
die typisch zijn voor politiestaten van oudsher de acties van Washington kenmerken":
"In Europa worden de Sovjet-Unie en Gorbatsjov geassocieerd met de strijd
voor vrijheid van reizen, politieke rechten en respect voor de publieke opinie.
In de Latijns-Amerikaanse landen worden de VS en Bush geassocieerd met willekeurige
bombardementen op burgers, het opzetten, trainen en financieren van doodseskaders
en met beleidsmatige massamoord" - een heel ander verhaal dan het verhaal
dat wordt verteld in New York en Washington, waar de Verenigde Staten wordt
gelauwerd als de "bron van inspiratie achter de triomf van de democratie
in onze tijd" (New Republic).7
In El Salvador merkt de krant van de Jezuïtische universiteit op dat:
"Het zogenaamde 'democratische proces' in El Salvador veel kan leren van het vermogen tot zelfbeheersing waar de socialistische landen blijk van geven. Als Lech Walesa zijn vakbondswerk in El Salvador had gedaan dan zou hij reeds zijn toegevoegd aan de lijst van verdwenen mensen - door toedoen van 'tot de tanden toe gewapende mannen in burgerkleding' of aan stukken zijn gereten door een bomaanslag op het hoofdkwartier van de vakbond. Als Alexander Dubcek politicus in ons land zou zijn geweest dan zou hij zijn vermoord net als Héctor Oquel¡ [leider van de sociaal-democraten die in Guatemala werd vermoord door Salvadoraanse doodseskaders volgens de regering van Guatemala]. Als Andrej Sacharov zich hier had ingespannen voor de mensenrechten dan zou hij hetzelfde lot hebben ondergaan als Herbert Anaya [een van de vele vermoorde leiders van de onafhankelijke Salvadoraanse Mensenrechten Commissie CDHES]. Als Ota-ik of Vaclav Havel hun intellectuele arbeid in El Salvador hadden verricht dan zouden ze op een lugubere ochtend aangetroffen worden, liggend op een binnenplaats van het universiteitsterrein, hun hoofden verminkt door de kogels van een elite-eenheid van het leger."8
Dezelfde vergelijking werd gemaakt door de Guatemalteekse journalist Julio Godoy na een kort bezoek aan Guatemala. Hij was een jaar eerder gevlucht nadat het kantoor van zijn krant La Epoc was opgeblazen door staatsterroristen - een daad waaraan geen enkele aandacht werd besteed in de Verenigde Staten; hoewel de feiten bekend waren werd er geen aandacht aan geschonken. In dezelfde periode besteedden de media zeer veel aandacht aan het feit dat de door de VS gesponsorde krant La Prensa, die zich openlijk schaarde achter de door de VS geleide Contra-troepen die Nicaragua aanvielen, een artikel niet had kunnen publiceren door een gebrek aan krantenpapier, een misdaad die leidde tot heftige kritiek op het totalitarisme van de Sandinisten. Geconfronteerd met deze misdaad kan men van westerse commentatoren niet verwachten dat ze melding maken van het feit dat de door de VS gesteunde nationale veiligheidstroepen de enige onafhankelijke stem in Guatemala op de gebruikelijke manier het zwijgen hebben opgelegd. Dit is het zoveelste voorbeeld van de totale minachting voor persvrijheid in westerse kringen die verder wordt geïllustreerd door het stilzwijgen rondom de gewelddadige onderdrukking van de onafhankelijke pers in El Salvador eveneens door middel van staatsterreur, het routinematig verbieden van kranten onder absurde voorwendsels en het arresteren en martelen van journalisten in de door Israël bezette gebieden en soms in Israël zelf, het bestormen van het hoofdkantoor van een belangrijk radiostation in Zuid-Korea door de oproerpolitie om een vakbondsleider te arresteren op beschuldiging van het organiseren van arbeidersprotesten en andere bijdragen aan orde en goede manieren.10
Oost-Europeanen zijn "eigenlijk beter af dan de mensen in Midden-Amerika," schreef Godoy: "terwijl het door Moskou opgelegde regime in Praag hervormers degradeerde en vernederde, werden ze door de door Washington in het leven geroepen regering in Guatemala vermoord. Dit gebeurt nog steeds en heeft inmiddels de vorm aangenomen van een genocide die aan meer dan 150.000 mensen het leven heeft gekost (...) [wat door Amnesty International wordt omschreven als] een 'regeringsprogramma voor politieke moorden'." Dat is volgens hem "de belangrijkste verklaring voor de onbevreesdheid van de studenten tijdens de recentelijke opstanden in Praag: Het Tsjechoslowaakse leger volgt geen shoot to kill beleid.(...) In Guatemala, om maar te zwijgen van El Salvador, wordt ongebreidelde terreur toegepast om te voorkomen dat vakbonden en organisaties van boeren hun eigen weg gaan" - en om er zeker van te zijn dat de pers zich conformeert of verdwijnt, zodat de westerse liberalen zich niet hoeven te ergeren aan censuur in de "prille democratieën" die zij steunen. Er bestaat "een belangrijk onderscheid tussen de rol van de legers in het Oostblok en van de Sovjet-Unie enerzijds en die van de legers in Midden-Amerika en van de VS anderzijds." In de satellietstaten van de Sovjet-Unie zijn de legers "apolitiek en gehoorzamen ze de regering," terwijl in de satellietstaten van de VS "het leger de feitelijke macht heeft," en doen waarvoor ze decennia lang zijn getraind door hun buitenlandse voogd. "Men is geneigd te denken dat een aantal personen in het Witte Huis de goden van de Azteken aanbidden en aan hen het bloed van Midden-Amerikaanse burgers offert." Zij steunden regimes in El Salvador, Guatemala, en Nicaragua die "het makkelijk kunnen opnemen tegen Nicolae Ceausescu's Securitate bij het dingen naar de Wereld Wreedheidsprijs."
Godoy citeert een Europese diplomaat die zei dat "zo lang de Amerikanen hun houding jegens de regio niet veranderen er daar geen ruimte is voor de waarheid of voor hoop." En zeker geen ruimte voor geweldloosheid en liefde.
Men moet lang zoeken om dergelijke gemeenplaatsen in westerse commentaren aan te treffen. Hier vleien wij ons liever met betekenisloze vergelijkingen tussen Oost en West. Ook de afschuwelijke kapitalistische catastrofe van de afgelopen jaren is hier geen serieus onderwerp van discussie, een catastrofe die dramatische vormen aanneemt in Latijns-Amerika en andere door het rijke Westen gedomineerde gebieden, in de "interne Derde Wereld" in de Verenigde staten en in de "geëxporteerde sloppenwijken" van Europa. Noch is het verbazingwekkend dat er niet veel aandacht wordt besteedt aan het moeilijk te negeren feit dat het economische succesverhaal zoals gewoonlijk het resultaat is van de nauwe samenwerking tussen de staat en financieel-industriële conglomeraten, nog een teken van het failliet van het kapitalisme in de afgelopen 60 jaar. Alleen de Derde Wereld moet worden onderworpen aan de verwoestende krachten van het vrije markt kapitalisme opdat zij efficiënter kan worden geplunderd en uitgebuit door de machtigen der aarde.
Niet Oost-Europa maar Midden-Amerika vertegenwoordigt de historische norm. De observatie van Hume behoeft deze correctie. Desondanks is het belangrijk vast te stellen dat overheidsmacht is gebaseerd op onderwerping zonder geweld, ook al is geweld beschikbaar als laatste hulpmiddel.
2. De verwarde kudde en haar herders
In de afgelopen periode is Hume's inzicht nieuw leven ingeblazen en verder uitgewerkt, maar wel op grond van een belangrijk nieuw inzicht: het beïnvloeden van het denken (gedachte-controle) is belangrijker voor regeringen die vrij zijn gekozen dan voor despotische en militaire regimes. De logica hierachter is simpel. Een despotische staat kan haar binnenlandse vijanden onderdrukken met geweld. Als de staat echter dit wapen verliest dan zijn er andere middelen vereist om te voorkomen dat het onwetende volk zich gaat bemoeien met politieke zaken. Deze belangrijke aspecten van onze huidige politieke en intellectuele cultuur verdienen nader onderzoek.
Het probleem om "het volk op zijn plaats te houden" werd actueel naar aanleiding van wat een historicus "de eerste grote uitbarsting van het democratische gedachtegoed in de geschiedenis" heeft genoemd, de Engelse revolutie van de 17e eeuw.11 Het ontwaken van het volk leidde tot de vraag hoe men aan deze bedreiging het hoofd kon bieden.
De gevestigde orde beschouwde de libertaire ideeën van de radicale democraten als schandalig. Zij waren namelijk voorstander van onderwijs voor iedereen, van collectieve gezondheidszorg en van democratisering van de grondwet die door een van hen werd omschreven als een vos die het heeft gemunt op de ganzen, waarbij de armen de plaats van de ganzen innemen. Zij ontwikkelden een soort "bevrijdingstheologie" die, zoals historicus Clement Walker zo onheilspellend opmerkte, "het volk predikt in opstand te komen" met als doel "het rapaille op te zetten tegen alle mensen van goede stand en zich op allerlei manieren te organiseren tegen de adel, de gegoede burgerij, politici en juristen, kortom tegen alle welgestelde en vredelievende mensen." Vooral beangstigend waren de arbeiders die overal in het land toespraken hielden en om vrijheid en democratie vroegen, de populisten en de verspreiders van pamfletten waarin de heersende macht ter discussie werd gesteld. "Macht kan niet bestaan zonder mystificaties," waarschuwde Walker, mystificaties die "verborgen" moeten blijven voor het gewone volk: "Onwetendheid en de daaruit voortvloeiende adoratie zijn de bron van burgerlijke toewijding en gehoorzaamheid," een gedachte die later zou worden verwoord door Dostojevski's Grootinquisiteur. De radicale democraten "wezen het volk op de mystificaties en de geheime aspecten van macht," aldus Walker en hebben hierdoor "het volk zo nieuwsgierig en arrogant gemaakt dat het nooit meer genoeg nederigheid zal kunnen opbrengen om zich te onderwerpen aan een beschaafde vorm van macht." Het is gevaarlijk, was het angstige commentaar van een ander, wanneer "het volk zich bewust is van zijn kracht." Het gepeupel wilde niet meer worden geregeerd door een koning of door het parlement maar "door mensen zoals wijzelf die onze noden kennen." In hun pamfletten verklaarden ze verder "dat er nooit een betere wereld zal komen als ridders en de rijken wetten maken met de bedoeling om ons angst in te boezemen en ons te onderdrukken en niet geïnteresseerd zijn in de problemen van het volk."
Natuurlijk waren de mensen van goede stand ontzet door dit soort ideeën. Ze waren best bereid het volk meer rechten te geven mits binnen redelijke grenzen en volgens het principe dat "als we het over het volk hebben we niet de verwarde en ongedisciplineerde meerderheid van de mensen bedoelen." Nadat de radicale democraten waren verslagen schreef John Locke dat "dagloners en handwerkslieden, spinsters en melkmeisjes" moest worden verteld wat te geloven; "De meesten kunnen niet nadenken en moeten in plaats daarvan geloven."12
Net als John Milton en andere vrijdenkers uit die tijd had Locke een zeer beperkte opvatting over de vrijheid van meningsuiting. Op grond van de door hem opgestelde grondwet van Carolina was het voor iedereen verboden "om tijdens religieuze bijeenkomsten iets oneerbiedigs of opruiends over de regering, over bestuurders of over staatsaangelegenheden te zeggen." Volgens de grondwet had men de vrijheid om over "religieuze zaken te speculeren," maar mocht men geen politieke meningen verkondigen. Leonard Levy merkt op dat "Locke zelfs niet toestond dat men over staatsaangelegenheden discussieerde". De grondwet bepaalde verder dat "alle vormen van commentaar op en interpretatie van enig onderdeel van de grondwet of van enig onderdeel van het gewoonte- of geschreven recht van Carolina volstrekt verboden is." In zijn ontwerp voor het parlement over het afschaffen van de censuur in 1694 verdedigde Locke niet de vrijheid van meningsuiting maar beperkte hij zich tot de voor- en nadelen voor economische belangen.13 Toen de democratische dreiging was overwonnen en het vrijheidslievende gespuis uiteen was gedreven kon de censuur in Engeland worden afgeschaft omdat "de opiniemakers (...) zichzelf censureerde. Er werd niets gepubliceerd dat de rijken angst zou kunnen aanjagen," schrijft Christopher Hill. In een goed functionerende staatskapitalistische democratie zoals de Verenigde Staten wordt over het algemeen alles waar de elite vrees voor heeft angstvallig buiten de publieke arena gehouden - en soms met verbluffende resultaten.
Dergelijke ideeën vinden nog steeds veel weerklank, inclusief Locke's strenge dogma dat het gewone volk zelfs niet het recht heeft om over staatsaangelegenheden te discussiëren. Dit dogma is nog steeds een basisprincipe van moderne democratische staten en vindt tegenwoordig zijn uitdrukking in een heel scala aan middelen om de activiteiten van de staat te ontrekken aan nieuwsgierige blikken: de geheimhouding van documenten om staatsveiligheidsredenen die grotendeels zijn verzonnen, clandestiene operaties en andere maatregelen om het rapaille buiten de politieke arena te houden. Dit soort methoden krijgt vooral nieuwe impulsen tijdens een reactionair en op een geleide economie gebaseerd bewind zoals dat van Reagan en Thatcher. Dezelfde ideeën bepalen het werk en de verantwoordelijkheid van de intellectuelen. Zij dienen het beeld van de geschiedenis en het heden zo vorm te geven dat het in overeenstemming is met de belangen van de machtigen, en dat het volk zich niet roert maar doet wat het moet doen.
Tussen 1650 en 1660 werd het voor hen die aan de kant van het parlement en
leger stonden overduidelijk dat het gepeupel niet te vertrouwen is. Dit bleek
uit haar sluimerende gevoelens voor de monarchie en uit de onwil haar belangen
te laten behartigen door de gegoede burgerij en het leger die zeiden "het
echte volk te vertegenwoordigen", hoewel het gepeupel het daar uit onwetendheid
niet mee eens was. Het gewone volk is een "onbezonnen menigte,"
en bestaat uit "beesten in de gedaante van mensen." Het is gerechtvaardigd
ze te onderdrukken net zoals het gerechtvaardigd is "om het leven te
redden van een krankzinnige of een verward persoon, zelfs tegen zijn wil."
Als de mensen zo "verdorven and corrupt" zijn dat ze "macht
en vertrouwen schenken aan slechte en incapabele personen, dan zullen ze hun
macht moeten afstaan aan de weinige mensen die wel capabel zijn."14
De zinsnede 'weinige mensen die wel capabel zijn' kan verwijzen naar de gegoede
burgerij of de industriëlen, of naar de Communistische Partij en het
Centraal Comité, of naar de intellectuelen die te boek staan als "experts"
omdat zij de consensus onder de machthebbers onder woorden brengen (om een
van Henry Kissinger's inzichten te parafraseren).15 Zij leiden de grote bedrijven,
de ideologische instituten en domineren de politieke instellingen of verlenen
hen op verschillende niveaus hun diensten. Het is hun taak de verwarde massa's
te leiden en ze in een toestand van stilzwijgende onderwerping te houden om
zodoende het gevreesde verlangen naar vrijheid en controle over het eigen
lot te onderdrukken.
Het waren dezelfde ideeën op grond waarvan de Spanjaarden in Amerika
na 1492 begonnen aan wat Tsvetan Todorov "de grootste genocide uit de
geschiedenis van de mensheid" noemt. Zij rechtvaardigden hun terreurdaden
en onderdrukking met de argumenten dat de inboorlingen niet "beter in
staat zijn zichzelf te regeren dan krankzinnigen of beesten, dat hun voedsel
niet smakelijker en nauwelijks gezonder is dan dat van wilde beesten"
en dat hun stompzinnigheid "veel groter is dan die van kinderen en gekken
in andere landen" (Aldus professor/theoloog Francisco de Vitoria, "een
van de kopstukken van het Spaanse humanisme in de zestiende eeuw"). Op
grond hiervan is ingrijpen gerechtvaardigd "om zodoende het recht van
voogdijschap te kunnen uitoefenen," aldus Todorov, die daarmee Vitoria's
centrale gedachte samenvatte.16
Toen Engelse barbaren enige jaren later de taak overnamen, hanteerden zij
vanzelfsprekend dezelfde ideeën tijdens het 'temmen van de wolven in
mensengedaante' zoals George Washington de objecten omschreef die het oprukken
der beschaving in de weg stonden en voor hun eigen bestwil moesten worden
geëlimineerd. De Engelse kolonisten hadden de Schotse "wildemannen"
al een soortgelijke behandeling gegeven, bijvoorbeeld toen Lord Cumberland,
die bekend stond als "de slager," vernietigend te keer ging in de
Schotse hooglanden, waarna hij zijn werk in Noord-Amerika zou voortzetten. 17
150 jaar later hadden hun afstammelingen Noord Amerika gezuiverd van deze
inheemse plaag en hun aantallen, volgens sommige recente schattingen, van
10 miljoen tot 200,000 gereduceerd. Hierna begonnen zij aan hun beschavingsmissie
op de Filippijnen. De bestrijders van de indianen, die president McKinley
de taak had toebedeeld deze ongelukkige wezens te "kerstenen" en
te "beschaven", ontdeden de bevrijde eilanden van enige honderden
duizenden van hen en versnelden aldus hun hemelvaart. Ook zij waren bezig
"misleidde wezens" te redden van hun ondergang door "naar Engels
voorbeeld de inboorlingen af te slachten," zoals the New Yorkse pers
hun pijnlijke verantwoordelijkheid omschreef, er aan toevoegend, dat we, "totdat
ze geleerd hebben onze wapens te respecteren, de twijfelachtige eer in ontvangst
moeten nemen die verbonden is met deze omvangrijke moordpartijen." Hierna
volgt de "lastigere taak om ze te leren onze goede bedoelingen te respecteren."18
Dit is in grote lijnen de koers die de geschiedenis heeft genomen. En deze
heeft er toe geleid dat een groot deel van de wereld is verwoest door de Europese
plaag die wij beschaving noemen.
Aan het thuisfront werd het altijd actuele probleem duidelijk geformuleerd
door de 17e eeuwse politieke denker Marchamont Nedham. De voorstellen van
de radicale democraten zouden volgens hem tot gevolg hebben dat "incapabele
personen, die kennis noch rijkdom bezitten aan de macht komen." Als je
de mensen hun vrijheid geeft zal de "arrogante massa de minst ontwikkelde
mensen" verkiezen. Deze zullen zich gaan toeleggen op het "uitmelken
en castreren van de rijken," en de "kortste weg inslaan" naar
"losbandigheid, rampspoed, anarchie en chaos."19 Deze sentimenten
lopen als een rode draad door het politieke en intellectuele debat van de
afgelopen eeuwen en zij worden steeds heviger aangezien sociale bewegingen
er door de eeuwen heen door middel van strijd in zijn geslaagd de eisen van
de radicale democraten te verwezenlijken. Hierdoor moesten er steeds geraffineerdere
methoden ontworpen worden om het effect van deze bewegingen tot een minimum
te beperken.
Na de Amerikaanse revolutie moest de opstandige en onafhankelijke boeren door
middel van geweld worden geleerd dat ze de idealen zoals die waren geformuleerd
in de pamfletten van 1776 niet serieus dienden te nemen. Het gewone volk mocht
niet worden vertegenwoordigd door mensen als zijzelf die op de hoogte zijn
van hun problemen. Dat was de taak van gegoede burgers, zakenmensen, juristen
en andere machtige lieden, en hun dienaren. Jefferson en Madison geloofden
dat de macht in handen moest zijn van de "natuurlijke leiders,"
schrijft Edmund Morgan, "mannen als zijzelf" die het eigendomsrecht
zouden verdedigen tegen Hamilton's "papieren aristocratie" en tegen
de armen; zij "beschouwden slaven, paupers en verarmde arbeiders als
een continue bedreiging voor vrijheid en bezit."20 De heersende doctrine,
zoals die werd geformuleerd door de 'Founding Fathers', luidt dat "de
mensen die het land bezitten het ook moeten regeren" (John Jay). De opkomst
van de grote bedrijven in de 19e eeuw en het maken van wetgeving waardoor
zij het particuliere en openbare leven konden domineren, betekenden op een
nieuwe en krachtige wijze de overwinning van de tegenstanders van een democratie
door en voor het volk.
Revolutionaire strijd leidt regelmatig tot concurrentie tussen diegenen die
streven naar de macht ondanks het feit dat ze gelijkgestemd zijn in hun verzet
tegen radicale democratische aspiraties van het volk. Vlak nadat zij in 1917
de macht hadden gegrepen begonnen Lenin en Trotski met het ontmantelen van
fabriekscomités en arbeidersraden met als doel socialistische tendensen
een halt toe te roepen en af te schrikken. Aangezien Lenin een orthodoxe marxist
was beschouwde hij het socialisme niet als een levensvatbare optie in dit
achtergebleven en onderontwikkelde land. Tot aan zijn dood bleef het voor
hem een "elementaire marxistische waarheid dat alleen de gemeenschappelijke
inspanning van de arbeiders in een aantal ontwikkelde landen kan leiden tot
de socialistische overwinning," in het bijzonder in Duitsland.21 In zijn
wat mij betreft beste boek (Homage to Catalonia) beschrijft George Orwell
hoe zich tijdens de Spaanse burgeroorlog een soortgelijk proces afspeelde,
waar de fascisten, communisten en de Westerse democratieën waren verenigd
in hun verzet tegen de libertaire revolutie die over een groot deel van het
land raasde, en die pas met elkaar daadwerkelijk onderling de strijd aangingen
nadat de volksbewegingen volledig waren onderdrukt. En zo zijn er nog veel
meer voorbeelden te geven, waarbij op de achtergrond de verschillende grootmachten
heel vaak een rol spelen.
Dit geldt met name voor de derde wereld. Een voortdurende zorg van Westerse
elites is dat volksbewegingen de basis zouden kunnen leggen voor echte democratie
en sociale hervormingen en zodoende de privé-belangen van de elite
in gevaar brengen. Zij die er op uit zijn "om het rapaille te mobiliseren"
en het volk te verleiden "zich te organiseren en een vuist te maken"
tegen "de meest capabele mensen" moeten daarom worden onderdrukt
of uit de weg geruimd. Het is dus geen verrassing dat aartsbisschop Romero
moest worden vermoord vlak nadat hij er bij president Carter op had aangedrongen
de militaire hulp aan de Salvadoraanse junta stop te zetten die, zo waarschuwde
hij, de hulp zal gebruiken om "de onrechtvaardigheid en de repressie
van burgers en hun organisaties te vergroten", burgers die strijden "voor
de erkenning van de meest elementaire mensenrechten."
Ondanks de krampachtige pogingen deze feiten te verdoezelen had Romero de
vinger precies op de zere plek gelegd. Het zou dan ook niemand moeten verbazen
dat het dringende verzoek van Romero aan de Amerikaanse regering om "direct
noch indirect te interveniëren op militaire, economische, diplomatieke
of op enige andere wijze invloed uit te oefenen op lot van het Salvadoraanse
volk" werd afgewezen. Wel kreeg Romero de belofte dat steun aan de militaire
junta opnieuw zou worden bekeken, mocht er bewijs van 'misbruik bekend worden'.
De aartsbisschop werd geliquideerd, en de veiligheidstroepen zetten zich aan
hun taak om de volksbewegingen met allerlei mensonterend geweld te vernietigen.
Het Rio Sumpul-bloedbad, dat door de loyale media werd verzwegen, was nog
maar het begin.
Het zal ook geen verbazing schetsen dat de zelfbenoemde 'mensenrechten regering'
van Carter naarmate de wreedheden toenamen geen enkel 'misbruik bekend' zag
worden. Het verkrachten, martelen en vermoorden van Amerikaanse nonnen was
de enige uitzondering die echter snel in de doofpot moest worden gestopt.
Bovendien besteedden de media en de intelligentsia nauwelijks aandacht aan
de moord op aartsbisschop Romero (een gebeurtenis die in de New York Times
van geen enkel commentaar werd voorzien), en ze verdoezelden daarbij de medeplichtigheid
van de gewapende troepen en de door de VS ingestelde burgerregering, - die
als een dekmantel dient. Ze verzwegen de rapporten van kerkelijke groeperingen
en mensenrechtenorganisaties over de groeiende staatsterreur, en beweerden
zelfs dat 'Er geen duidelijk bewijs [is] dat de meeste van de naar schatting
10.000 politieke slachtoffers in 1980 het slachtoffer waren van regeringstroepen
of van aan hen gelieerde ongeregelde troepen.' (Washington Post)22
Wanneer er een klus moet worden geklaard, dienen we ons daar zonder enig sentiment
aan te wijden. Mensenrechtenkwesties komen vooral van pas als ze gebruikt
kunnen worden als ideologisch wapen om vijanden te beschadigen of om het geloof
in de edelmoedigheid van de staat te herstellen. Maar ze mogen niet interfereren
met belangrijke zaken, zoals het uiteendrijven en in de pan hakken van het
gepeupel dat georganiseerd in opstand komt tegen de privileges van de rijken.
Dezelfde toegewijde betrokkenheid bij de noodzakelijke terreur werd een decennium
later onthuld, in maart 1990, toen de moord op aartsbisschop Romero in El
Salvador werd herdacht met een indrukwekkende, drie dagen durende ceremonie.
Via de telex kwam het bericht binnen dat "de armen, de nederigen en de
vromen met duizenden toestroomden" om tijdens een mis in de kathedraal
waar hij werd vermoord Romero's nagedachtenis te eren. Ze vulden het plein
en de straten eromheen na een mars die werd geleid door 16 bisschoppen, waarvan
er drie afkomstig waren uit de Verenigde Staten. Aartsbisschop Romero was
door de Salvadoraanse kerk formeel voorgedragen voor heiligverklaring - het
eerste vergelijkbare geval sinds Tomas à Becket meer dan 800 jaar geleden
op het altaar werd vermoord.
Americas Watch publiceerde een rapport over het mensonterende decennium, dat
heel symbolisch wordt begrensd door "deze twee gebeurtenissen - de moord
op aartsbisschop Romero in 1980 en het afslachten van de Jezuïeten in
1989" - deze tien jaar "leggen op wrange wijze getuigenis af van
de aanhoudende wreedheid van de machthebbers in El Salvador", mensen
voor wie "het doden van priesters nog steeds de voorkeur heeft"
omdat zij "de roep om verandering en rechtvaardigheid van een samenleving
die van beide te weinig heeft simpelweg niet horen." In zijn preek zei
Romero's opvolger, aartsbisschop Arturo Rivera y Damas, dat Romero als "spreekbuis
van hen die monddood zijn, gewelddadig het zwijgen was opgelegd".23
De slachtoffers blijven zonder stem, en Romero wordt nog steeds verzwegen.
Geen enkele hooggeplaatste functionaris van de regering Cristiani of van diens
ARENA-partij woonde de mis bij, zelfs niet hun leider Roberto d'Aubuisson,
van wie wordt aangenomen dat hij samen met de door de VS gesteunde veiligheidstroepen,
verantwoordelijk is voor de moord. Ook de regering van de VS schitterde door
afwezigheid. De ceremonie in El Salvador ging bijna onopgemerkt voorbij aan
het land dat de moordenaars financiert en traint; ook herdenkingsbijeenkomsten
in de Verenigde Staten zelf ontsnapten aan de aandacht van de nationale pers.24
Men zal zich niet meer hoeven schamen - als dat al gebeurde. Dit zal het laatste
openbare religieuze eerbetoon aan Romero voor de komende decennia zijn, want
de doctrine van de kerk verbiedt herdenking van kandidaten voor heiligverklaring.
De algemene afkeer die er was voor de moord op Thomas à Becket noodzaakte
koning Hendrik II, die indirect verantwoordelijk werd gehouden, tot boetedoening
bij zijn graf. Men kan lang wachten op een gepaste herhaling van deze boetedoening,
hetgeen symptomatisch is onze morele ontwikkeling sindsdien.
Georganiseerde burgers vormen een reële bedreiging voor de privileges
van de elite, daarover is geen twijfel mogelijk. Erger nog, "het bederf
kan zich verspreiden", in de terminologie van de politieke elite. Het
succes van een onafhankelijke ontwikkeling die de noden van de mensen lenigt,
zou wel eens een navolging kunnen krijgen.
Zoals eerder aangegeven, onthullen interne en zelfs openbare documenten dat
de vrees dat het "virus" zich zou kunnen verspreiden en andere regio's
zou kunnen "infecteren", een hoofdzorg is geweest van Amerikaanse
beleidsmakers.
Op zich is dat niets nieuws. Europese staatslieden vreesden al dat de Amerikaanse
revolutie "nieuwe kracht zou verlenen aan rebelse apostelen van de revolte"
(Metternich), en dat de "invasie van en besmetting met verdorven principes"
zich zouden verspreiden, zoals "de verderfelijke denkbeelden van republikanisme
en zelfbestuur door het volk", zoals een diplomaten van de Tsaar waarschuwde.
Een eeuw later waren de rollen omgedraaid. Woodrow Wilsons minister van binnenlandse
zaken, Robert Lansing, vreesde dat het "onwetende en onbekwame deel van
de mensheid zou heersen op aarde" als de bolsjewistische ziekte zich
zou verspreiden. De bolsjewieken, vervolgde hij, deden een beroep "op
het proletariaat aller landen, op de onnozelen en zwakzinnigen, die geïnspireerd
door de macht van hun getal zelf de macht willen grijpen, (
) een zeer
reëel gevaar gezien de toename van de sociale onrust over de hele wereld."
Wederom is het de democratie die een ontzaglijke bedreiging vormt. Toen in
Duitsland na de Eerste Wereldoorlog korte tijd soldaten- en arbeidersraden
werden gevormd, vreesde Wilson dat "de Amerikaanse neger [soldaten] die
uit den vreemde terugkeren" hierdoor op gevaarlijke ideeën zouden
kunnen worden gebracht. Hij had reeds vernomen dat zwarte wasvrouwen meer
eisten dan het gangbare loon met het argument: "dat geld is net zoveel
van mij als van jou". Naast allerlei andere rampen, vreesde hij dat zakenlieden
zich zouden moeten neerleggen bij het feit dat er arbeiders in de raad van
bestuur zouden deelnemen, als het Bolsjewistische virus niet zou worden uitgeroeid.
Met deze onheilspellende mogelijke gevolgen in het achterhoofd werd de Westerse
inval in de Sovjet-Unie gerechtvaardig als zelfverdediging tegen "het
gevaar die de Revolutie vormde (
) voor het absolute voortbestaan van
de kapitalistische orde" (John Lewis Gaddis). Het lag voor de hand dat
na de inval in de Sovjet-Unie, 'de verdediging' van de Verenigde Staten zich
zou uitbreiden naar het binnenlandse Rode Gevaar. Er moest, zoals Lansing
verklaarde, geweld worden gebruikt om te voorkomen dat "de leiders van
het bolsjewisme en de anarchie" doorgingen met "het volk op te zetten
of het te organiseren tegen de regering van de Verenigde Staten"; de
regering mag niet toestaan dat "deze fanatici de vrijheid genieten die
zij proberen te vernietigen." De repressie die door de regering van Wilson
werd toegepast, was succesvol in het ondermijnen van democratische principes,
vakbonden, persvrijheid en onafhankelijk denken, in het belang van de macht
van het bedrijfsleven en de regeringen die haar belangen behartigen. Dit gebeurde
met brede instemming van de media en de elites in het algemeen, en dat allemaal
als zelfverdediging tegen de "onnozele en zwakzinnige" meerderheid.
Na de Tweede Wereldoorlog werd in grote lijnen hetzelfde verhaal opgedist,
opnieuw onder het voorwendsel van een Sovjet dreiging, terwijl het er in werkelijkheid
om ging om de onderwerping aan de heersers te herstellen.25
Men beseft zich vaak niet hoe fundamenteel en diepgeworteld de verachting
en de angst voor democratie zijn in de elitecultuur.
Toen in de jaren '60 het politieke leven en het onafhankelijke denken opleefden,
was de reactie dezelfde. De Trilaterale Commissie, een initiatief dat de liberale
elites van Europa, Japan en de Verenigde Staten samenbracht, waarschuwde voor
een dreigende "crisis van de democratie", doordat maatschappelijke
groepen probeerden om de politieke arena te betreden. Deze "overdaad
aan democratie" vormde een bedreiging voor de ongehinderde heerschappij
en privileges van de elites - voor datgene wat in de politieke theologie 'democratie'
wordt genoemd. Het was het aloude probleem van het gepeupel dat probeerde
haar eigen zaken te regelen, door zeggenschap te verkrijgen over haar gemeenschappen
en haar politieke eisen door te drukken. Aangemoedigd door de strijd voor
vrijheid en onafhankelijkheid van de onverlichte massa's elders in de wereld,
waren jongeren, etnische minderheden, vrouwen, maatschappelijke organisaties
en anderen bezig zich te organiseren. De democratie moet "meer matiging
betrachten," concludeerde de Commissie. Misschien moesten we wel terug
naar de tijd dat "Truman in staat was het land te regeren met de medewerking
van een relatief klein aantal advocaten en bankiers van Wall Street",
zoals de Amerikaanse afgevaardigde opmerkte.26
Irving Kristol voegt daaraan toe dat "onbelangrijke landen, net als onbelangrijke
mensen, snel overmoedig worden en denken dat ze wat voorstellen." Maar
als vooraanstaand neoconservatief heeft hij niet het geduld om met zachte
hand een draagvlak te creëren. De zachte hand is hoe dan ook niet bedoeld
voor de onbelangrijke mensen buiten de grenzen van de Westerse samenlevingen.
Dus moet het waanidee dat ze wat voorstellen met geweld uit hun hersens verdreven
worden: "In werkelijkheid is de tijd van de 'kanonneerbootdiplomatiek'
nooit voorbij. (
) Kanonneerboten zijn net zo noodzakelijk voor de internationale
orde als politieauto's dat zijn voor de binnenlandse orde."27
Dit soort opvattingen brengen ons bij de regering Reagan, die een bureau voor
staatspropaganda in het leven riep (Office of Public Diplomacy), verreweg
het meest zorgvuldig voorbereide en uitgewerkte in haar soort uit de Amerikaanse
geschiedenis. De voorstanders van een machtige en interveniërende staat,
waren daar zeer over te spreken. In het huidige politieke discours zijn zij
de 'conservatieven', hetgeen een staaltje taalmisbruik van de eerste orde
is. Toen het bureau bekend werd, omschreef een hoge functionaris het als een
instituut dat opereert in "vijandelijk gebied - hetgeen duidelijk de
heersende mening van de elite over de bevolking verraad. De 'vijand' moest
volledig onderworpen worden. Het toenemende succes van maatschappelijke bewegingen
had zelfs tot gevolg dat de overheid gedwongen werd ondergronds te gaan en
gebruik moest maken van illegale terreur. Dit in tegenstelling tot de presidenten
Kennedy en Johnson die de toepassing van geweld gewoon in het openbaar konden
aankondigen en uitvoeren, hetgeen natuurlijk veel efficiënter is.
De zorgen zoals die door 'mensen van de hoogste stand, in de zeventiende eeuw
al tot uitdrukking werden gebracht, zijn een hoofdthema geworden in het hedendaagse
intellectuele discours, in kringen van het bedrijfsleven en binnen de sociale
wetenschappen. Deze zorgen werden onder andere verwoord door de invloedrijke
moralist en adviseur buitenlandse zaken Reinhold Niebuhr die zeer werd bewonderd
door George Kennan, de Kennedy-intellectuelen en vele anderen. Hij schreef
dat "rationaliteit toebehoort aan koele waarnemers", terwijl de
gewone mens niet de rede volgt, maar het geloof. De koele waarnemers, zo legt
hij uit, moeten de "domheid van de gewone mens" onderkennen en zorgen
voor de "noodzakelijke illusies" en "emotioneel krachtige oversimplificaties",
zodat de onnozelen der aarde op het rechte pad blijven. Net als in 1650 blijft
het ook nu noodzakelijk om de "idioot of verwarde persoon", het
onwetende gespuis, te beschermen tegen hun "verderfelijke en onbetrouwbare"
oordeel, zoals je een kind de straat niet laat oversteken zonder begeleiding.28
De heersende mening is dat de democratie niet in het gedrang komt wanneer
het systeem voor informatievoorziening door slechts enkele bedrijven beheerst
wordt: sterker nog, dat is de essentie van de democratie. Edward Bernays,
een vooraanstaand persoon uit de public relationssector, brengt dat zo onder
woorden: "de essentie van het democratisch proces" is "de vrijheid
om te overtuigen en te suggereren", of zoals hij het noemt "het
construeren van instemming" (het 'creëren van draagvlak', zoals
wij dat in Nederland noemen, noot vertalers). Wanneer die vrijheid om te overtuigen
toevallig rust in slechts enkele handen, dan moeten we accepteren dat dat
inherent aan een vrije samenleving is. Om het juiste klimaat voor het bedrijfsleven
in stand te houden heeft de public relationssector vanaf het begin van de
twintigste eeuw kosten noch moeite gespaard, om "het Amerikaanse volk
te scholen in economisch onomstotelijke feiten". Het is de taak van die
sector om "het openbare denken" te beheersen, hetgeen "de enige
serieuze bedreiging vormt voor het bedrijfsleven", zo merkte een directeur
van AT&T tachtig jaar geleden op. En momenteel beschrijft de Wall Street
Journal vol enthousiasme de "gezamenlijke inspanningen" van het
Amerikaanse bedrijfsleven om op grote schaal "de houding en de waarden
van de arbeiders te veranderen" door middel van "New Age-workshops"
en andere hedendaagse methoden van indoctrinatie en afstomping die werden
ontworpen om de "apathie van de arbeider" te veranderen in "loyaliteit
aan het bedrijf".29 Dit is vergelijkbaar met het werk dat de volgelingen
van de Moon-sekte en christelijke evangelisten verrichten om te verhinderen
dat de boeren in Latijns-Amerika zich organiseren en dat de kerk opkomt voor
de armen. Hierin worden zij bijgestaan door inlichtingendiensten en de daarmee
nauw verbonden internationale ultra-rechtse organisaties.
Bernays gaf in een pr-handboek uit 1928 precies aan waar het om gaat: "De
bewuste en intelligente manipulatie van de gewoonten en denkbeelden van de
massa is een belangrijk onderdeel van een democratische samenleving. (
)De
intelligente minderheid moet continu en systematisch gebruik maken van propaganda."
Gezien haar enorme en beslissende macht is de in hoge mate klassenbewuste
economische elite van de Verenigde Staten in staat geweest deze lessen effectief
toe te passen. Bernay's pleidooi voor propaganda wordt aangehaald door Thomas
McCann, hoofd public relations van de United Fruit Company, waarvoor Bernays
hand- en spandiensten leverde toen de basis werd gelegd voor de omverwerping
van de Guatamalteekse democratie in 1954, een belangrijke overwinning voor
de bedrijfspropaganda dankzij de bereidwillige medeplichtigheid van de media.30
'De intelligente minderheid' heeft reeds lang begrepen dat dit haar functie
is. Walter Lippmann beschreef de "revolutie" die "heeft plaatsgevonden
in de democratische praktijk" waardoor "het creëren van draagvlak"
zich heeft ontwikkeld tot "een volwassen discipline en nu een gangbaar
instrument is geworden binnen de democratie." Dit is de normale ontwikkeling
wanneer men niet kan vertrouwen op de publieke opinie:
"Door de afwezigheid van instituten en scholing die een correct beeld van de maatschappij geven en zodoende een duidelijk onderscheid maken tussen de belangrijke zaken en zelfzuchtig eigenbelang, raakt het algemene belang volledig ondergesneeuwd in de publieke opinie. Het algemene belang moet gestuurd worden door een gespecialiseerde klasse wier persoonlijke belangstelling verder reikt dan de lokale belangen"
Hume poneerde zijn paradox zowel voor despotische als voor vrijere samenlevingen.
Het laatste geval is verreweg het belangrijkste. Zodra een maatschappij meer
vrijheid en verscheidenheid kent, wordt het moeilijker om meningen op te leggen
en wordt het ontwarren van de mechanismen van indoctrinatie een grotere uitdaging.
Maar afgezien van het intellectuele aspect zijn vrije samenlevingen menselijk
gezien van groter belang omdat we het hier over onszelf hebben en kunnen handelen
naar wat we ervan leren. Juist om deze reden zal de heersende cultuur altijd
proberen de maatschappelijke problemen toe te schrijven aan het onvermogen
van en misbruik door anderen. Als Amerikaanse plannen in een of andere uithoek
van de Derde Wereld mislopen, gaat onze aandacht uit naar de gebreken en specifieke
problemen van deze culturen en hun sociale wanorde - niet naar die van ons.
Zij die de daden van officiële vijanden aan het daglicht brengen, worden
als helden vereerd; wie de veel belangrijkere taak op zich neemt om de eigen
maatschappij een spiegel voor te houden kan rekenen op een geheel andere behandeling.
George Orwell is beroemd vanwege Animal Farm en 1984, twee boeken die zich
richten op de officiële vijand. Als hij de interessantere en belangrijkere
vraag naar thought control in betrekkelijk vrije en democratische samenlevingen
had aangesneden, zou men dat niet gewaardeerd hebben en zou hij zijn geconfronteerd
met afkeuring of smaad. Laten we ons desondanks toespitsen op de belangrijkere
en impopulaire vragen.
Waarom laten mensen in vrije en democratische samenlevingen zich onderwerpen
terwijl ze in theorie de macht aan hun kant hebben? Allereerst moeten we kijken
naar een vraag die daaraan vooraf gaat: in hoeverre staat de macht aan de
kant van het volk? Hier moeten we voorzichtig zijn. Samenlevingen worden als
vrijer en democratischer beschouwd naarmate de macht van de staat om zaken
af te dwingen beperkter is. De Verenigde Staten zijn in dit opzicht ongewoon:
de burger is hier misschien vrijer van staatsdwang dan waar dan ook ter wereld,
tenminste, de burger die redelijk welgesteld is en van de juiste kleur, een
aanzienlijk deel van de bevolking.
Maar het is een open deur om te zeggen dat de staat slechts één
onderdeel vormt van de machtstructuur. Controle over investeringen, productie,
handel, financiën, werkomstandigheden, en andere cruciale aspecten van
sociaal beleid zijn in particuliere handen. Wie niet bereid is zich neer te
leggen bij deze machtsstructuren, betaalt een hoge prijs, die kan variëren
van staatsgeweld tot armoede; zelfs een onafhankelijk denkend individu zal
het niet moeilijk vinden om dit af te wegen de voordelen, hoe gering ook,
van onderwerping. Wezenlijke keuzes worden aldus flink ingeperkt. Vergelijkbare
factoren beperken het spectrum aan ideeën en meningen. De heersende opinies
worden gevormd door dezelfde krachten die de economie beheersen. De media
zijn het eigendom van grote bedrijven die het publiek verkopen aan andere
grote bedrijven in de vorm van adverteerders, het is logisch dat hun belangen
overheersen. De mogelijkheid om eigen meningen, zorgen en belangen te verwoorden
en over te brengen - of ze zelfs maar te ontdekken - is dus eveneens zeer
beperkt.
Het ontkennen van deze gemeenplaatsen over wie de werkelijke macht bezit is
de essentie van het bedrog. In plaats daarvan krijgen we de 'noodzakelijke
illusies' voorgeschoteld. Zo heeft een mediadeskundige die in de New York
Times een boek over de pers recenseert, het zonder enige onderbouwing over
de "traditionele Jeffersoniaanse rol" van de pers "als tegenwicht
tegen de regeringsmacht." Deze passage bevat drie aannames, namelijk
een historische, een beschrijvende en een ideologische. De historische aanname
is dat Jefferson een fervent aanhanger van persvrijheid was, wat niet klopt.
De tweede is dat de pers in feite als een tegenwicht tegen de regering werkt,
in plaats van als een trouwe dienaar. Door hier zonder meer van uit te gaan
hoeft de schrijver niet in te gaan op de overvloed aan bewijzen die dit dogma
overtuigend weerleggen. De ideologische aanname is dat vrijheidsgezindheid
á la Jefferson (abstract gezien, los van hoe deze in de praktijk functioneert)
zou eisen dat de pers een tegenwicht biedt aan regeringsmacht. Dat is onjuist.
Het libertaire denkbeeld gaat uit van een pers die onafhankelijk is, dus een
tegenhanger vormt tegen elke vorm van centraal gezag. In Jeffersons tijd domineerden
de staat, de kerk en feodale structuren. Korte tijd later ontstonden nieuwe
vormen van gecentraliseerde macht in de wereld van het bedrijfskapitalisme.
Iemand in de traditie van Jefferson zou dan beweren dat de pers een tegenwicht
moest bieden aan staats- of bedrijfsmacht, en in het bijzonder wanneer de
staat en het bedrijfsleven innig samenwerken. Maar als we hierop ingaan, begeven
we ons op verboden terrein.37
Afgezien van de algemene beperkingen van keuze en meningsuiting die inherent
is aan de machtsconcentratie van het bedrijfsleven, beperkt deze ook de ruimte
voor het handelen van de regering. De Verenigde Staten zijn ook in dit opzicht
uitzonderlijk in vergelijking met de andere industriële democratieën,
ofschoon de andere landen meer en meer opschuiven richting het Amerikaanse
model. De Verenigde Staten kent zeer verregaande bescherming tegen staatsdwang,
maar heeft eveneens een uiterst armoedig politiek spectrum. In feite bestaat
er één politieke partij, de partij van het bedrijfsleven, met
twee facties. Schuivende coalities van investeerders bepalen voor een groot
deel de politieke geschiedenis. Vakbonden en andere burgerbewegingen die het
grote publiek een rol zouden kunnen laten spelen in het beïnvloeden van
programma's of politieke keuzes, hebben een zeer beperkte speelruimte. Het
ideologische systeem wordt ingekaderd door de heersende opvatting van de elite.
Verkiezingen zijn grotendeels een ritueel. Na congresverkiezingen keren praktisch
alle kandidaten terug op hun plaats, een toonbeeld van de leegheid van het
politieke systeem en de keuzes die het biedt. Bij de campagnes van de presidentskandidaten
krijgt men nauwelijks het idee dat er belangrijke punten op de agenda staan.
De verwoorde programma's zijn niet veel meer dan een middel om stemmen te
winnen en kandidaten passen hun boodschap op advies van hun pr-adviseurs aan
het publiek. Journalisten concentreren zich op de vraag of Reagan zijn tekst
zal onthouden, of Mondale er niet te somber uitziet en of Dukakis de modder
kan ontwijken die de schrijvers van George Bush' toespraken hem naar het hoofd
slingeren. In de verkiezingen van 1984 verwisselden de twee politieke kampen
in wezen hun traditionele politiek. De republikeinen presenteerden zichzelf
als de partij van Keynesiaanse groei en staatsinmenging in de economie, de
democraten als voorstanders van fiscaal conservatisme; het werd nauwelijks
opgemerkt. De helft van de bevolking neemt niet eens de moeite om te stemmen,
en degenen die het wel doen, stemmen vaak bewust tegen hun eigen belangen
in.
Het volk wordt de mogelijkheid geboden om beslissingen goed te keuren die
elders worden gemaakt, geheel in overeenstemming met de voorschriften van
Lippmann en andere democratische theoretici. Het mag kiezen uit persoonlijkheden
die naar voren worden geschoven in een symbolisch politiek spelletje dat alleen
naïevelingen nog serieus nemen. En als ze dat doen, worden ze door de
slimmeriken bespot. Kritiek op het pleidooi van president Bush voor "verhoging
van de staatsinkomsten" nadat hij de verkiezing had gewonnen met de plechtige
en veelzeggende belofte om de belastingen niet te verhogen, is "politiek
gezien erg goedkoop," schrijft Harvards politicoloog en mediaspecialist
Marty Linsky onder de kop "Campagnebeloftes - gedaan om gebroken te worden."
Toen Bush de verkiezingen won met het "read my lips - no new taxes"
deuntje, maakte hij enkel zijn "wereldvisie" kenbaar en gaf hij
"blijk van zijn hoop." Degenen die denken dat hij geen nieuwe belastingen
beloofde, begrijpen niet dat "verkiezingen en regeren verschillende spelletjes
zijn die met verschillende doelen en regels worden gespeeld (
) Het doel
van verkiezingen is om te winnen," observeert Linsky terecht en verwoordt
daarmee het cynisme van de meer ontwikkelden; en "de intentie van regeren
is om het beste te doen voor het land," voegt hij er aan toe, de noodzakelijke
illusies herkauwend die het fatsoen vereist.38
Deze ontwikkelingen geraakten in een stroomversnelling onder Reagan. Het overgrote deel van de bevolking was gekant tegen zijn politiek, en zelfs degenen die in 1984 op hem hadden gestemd hoopten, met ongeveer 3 tegen 2, dat zijn programma niet zou worden uitgevoerd. Bij de verkiezingen van 1980 stemde vier procent van de kiezers op Reagan omdat ze hem beschouwden als een "echte conservatief." In 1984 zakte dit percentage naar één procent. Dat is wat in politieke retoriek "een verpletterende overwinning voor het conservatisme" wordt genoemd. Verder was Reagans populariteit, in tegenstelling tot wat vaak wordt aangenomen, nooit bijzonder groot en veel burgers leken te begrijpen dat hij een schepping van de media was, en dat hij slechts een vaag benul had van wat een regering behoort te doen.39
Het is opmerkelijk dat dat nu stilzwijgend wordt toegegeven. Op het moment
dat de "great communicator" als symbool niet meer nodig was, verdween
hij door een achterdeur. Na acht jaar schijn ophouden over de "revolutie"
die Reagan teweegbracht, zou niemand op het idee komen de goede man te vragen
naar zijn mening over enig onderwerp, omdat men altijd al had begrepen dat
hij die niet heeft. Toen Reagan als oud staatsman in Japan werd uitgenodigd,
waren zijn gastheren verbaasd - en gezien het vette honorarium, een beetje
geïrriteerd - toen ze ontdekten dat hij geen voordrachten of persconferenties
kon houden over welk thema dan ook. Hun verwarring veroorzaakte enige geamuseerde
opmerkingen in de Amerikaanse pers: de Japanners geloofden wat zij over deze
opmerkelijke persoonlijkheid hadden gelezen. Ze konden maar niet begrijpen
hoe de mysterieuze Westerse geest werkte.
Het bedrog dat door de media en de intellectuele gemeenschap werd gepleegd,
is van enig belang voor Hume's paradox over onderwerping aan autoriteit. Een
staatskapitalistische democratie kent een zekere spanning als het gaat om
de exacte locatie van de macht: in principe regeert het volk, maar de werkelijke
macht bevindt zich grotendeels in particuliere handen, met de nodige gevolgen
voor de samenleving. Een manier om de spanning te verminderen is om de bevolking
uit het blikveld te verwijderen, behalve pro forma. Het fenomeen Reagan leverde
een nieuwe manier om dit fundamentele doel van de kapitalistische democratie
te bereiken. De functie van president werd in feite geëlimineerd ten
behoeve van een symbolische figuur die door de pr-afdeling was gecreëerd
om bepaalde rituele taken uit te voeren: zoals het verschijnen op officiële
gelegenheden, het ontvangen van gasten, het voorlezen van regeringsverklaringen,
enzovoorts. Dit is een flinke stap vooruit in het marginaliseren van de bevolking.
Als de meest geperfectioneerde staatskapitalistische democratie hebben de
Verenigde Staten vaak nieuwe wegen bewandelt om de vijand aan het thuisfront
te beheersen, en deze laatste truc zal zonder enige twijfel elders, maar met
de gebruikelijke vertraging, naleving vinden.
Zelfs als er discussies ontstaan binnen het politieke systeem, zorgt de concentratie
van macht ervoor dat deze niet bepaalde grenzen te buiten gaat. Het probleem
is in de VS eigenlijk meer academisch omdat het politieke en ideologische
systeem ondergeschikt zijn aan zakelijke belangen, maar in de Latijns-Amerikaanse
democratieën bijvoorbeeld, waar botsende ideeën en benaderingen
op de politieke agenda staan, is de situatie anders. Zoals bekend zullen beleidsmaatregelen
die de elite niet bevallen, leiden tot kapitaalvlucht, het terugtrekken van
investeringen en toenemende armoede totdat het vertrouwen van het bedrijfsleven
is hersteld door de belangen van de elite veilig te stellen; deze gebeurtenissen
zijn van doorslaggevende invloed op het politieke systeem (met militair geweld
achter de hand als de zaken alsnog uit de hand dreigen te lopen, gesteund
of toegepast door de politieagent uit het Noorden). Scherp gesteld, zolang
de rijken en machtigen niet tevreden zijn, zal iedereen lijden, aangezien
zij het op sociaal-economisch gebied voor het zeggen hebben; zij bepalen wat
geproduceerd en geconsumeerd wordt en welke kruimels overblijven voor de onderdanen.
Voor de paupers in het Zuiden is dus het devies ervoor te zorgen dat de rijken
zorgeloos kunnen leven in hun villa's. Deze belangrijke factor, in combinatie
met de controle over de grondstoffen, beperkt de macht van het volk aanzienlijk
en verzwakt de geldigheid van Hume's paradox in een goed functionerende kapitalistische
democratie waarin het grote publiek verstrooid en geïsoleerd is.
Begrip van de randvoorwaarden van de democratie - impliciet of expliciet -
is sinds lange tijd leidraad voor politiek beleid. Wanneer burgerbewegingen
uiteen geslagen of vernietigd zijn en de besluitvorming stevig in handen van
het zakenleven is, dan is een formele democratie acceptabel, en zelfs te prefereren
als een middel om oekazes van de elite in een door het bedrijfsleven gerunde
'democratie' te legitimeren. Het model werd beproefd door Amerikaanse planners
bij de wederopbouw van de industriële samenlevingen na de Tweede Wereldoorlog,
en het is standaard in de Derde Wereld, ofschoon het daar veel moeilijker
is zonder terreur de gewenste stabiliteit te garanderen. Zodra bepaalde maatschappelijke
verhoudingen stevig zijn verankerd, zal een individu om te overleven, een
(betrekkelijk geïsoleerde) plek innemen. De persoon zal ertoe neigen
de conventionele gedachten, waaronder de heersende aannames over de onvermijdelijkheid
van bepaalde vormen van autoriteit, overnemen en zal zich over het algemeen
neerleggen bij de beoogde doelen. De kosten voor het volgen van een andere
weg of voor het uitdagen van de macht zijn hoog, de middelen zijn ontoereikend
en de kans op succes is gering. Deze factoren gelden zowel in op slavernij
gebaseerde - als in feodale maatschappijen - de doeltreffendheid ervan heeft
terecht indruk gemaakt op de theoretici van de 'opstandsbestrijding'. In vrije
samenlevingen manifesteren ze zich op andere manieren. Als het vermogen om
het gedrag te beïnvloeden begint af te brokkelen, moet er naar andere
middelen worden gezocht om het gepeupel er onder te houden.
Als het geweld aan de kant van de machthebbers staat, kunnen ze vertrouwen
op vrij brute middelen om draagvlak te creëren en hoeven ze zich niet
al te druk te maken over wat de massa denkt. Toch krijgen ook gewelddadige
staten te maken met Hume's probleem. De verschillende vormen van staatsterrorisme
die de VS voor hun satellietstaten hebben bedacht, omvatten over het algemeen
op zijn minst een gebaar in de richting van "winning hearts and minds,"
ofschoon experts waarschuwen voor overdreven gevoeligheden op dit vlak, met
het argument dat "alle dilemma's van praktische aard zijn en in ethisch
opzicht net zo neutraal als natuurwetten.40 " Nazi-Duitsland kende soortgelijke
problemen, zoals Albert Speer in zijn autobiografie schrijft, en hetzelfde
geldt voor Rusland onder Stalin. In zijn bespreking van deze kwestie merkt
Alexander Gerschenkron op
"Hoe sterk het leger en hoe alomtegenwoordig de geheime politie ook is welke een staat tot haar beschikking heeft, het zou naïef zijn om te geloven dat dergelijke mogelijkheden tot fysieke onderdrukking volstaan. Een dergelijke staatsvorm kan alleen functioneren als ze er in slaagt om mensen te doen geloven dat er een belangrijke maatschappelijke taak is die zonder haar niet kan worden volbracht. In het geval van de machthebbers in de Sovjet-Unie was dit de industrialisatie (...), [die] volbracht wat geen enkele op de instemming van de bevolking gebaseerde regering had kunnen doen (...) Maar ook al klinkt het paradoxaal, dit beleid leidde tevens tot een zekere brede berusting van het volk. Als alle krachten in de bevolking gebundeld kunnen worden in het industrialisatieproces en als die industrialisatie kan worden gerechtvaardigd met de belofte van geluk en overvloed voor toekomstige generaties en - veel belangrijker - door de dreiging van militaire agressie vanuit het buitenland, dan hoeft het dictatoriale bewind niet te vrezen voor stormen van protest."41
Het is belangrijk zich te realiseren hoe diep de onderdrukking van vrijheid
en democratie, desnoods met geweld, geworteld is in de Westerse publieke opinie.
Om onze eigen cultuur te begrijpen moeten we onder ogen zien dat het goedpraten
van terreur als een rode draad door het hele politieke spectrum heen loopt.
Het is overbodig om te wijzen op het gedachtegoed van Jeane Kirkpatrick, George
Will, en anderen. Maar er verandert slechts weinig als we "het gevestigde
linkerkamp" bekijken, om de uitgever van Foreign Policy Charles William
Maynes te citeren die dit begrip gebruikt in een ode aan Amerika's kruistocht
"om de democratische zaak te verbreiden."42
Neem bijvoorbeeld de politieke commentator Michael Kinsley die 'links' vertegenwoordigt
in politieke commentaren en televisiedebatten. Toen het ministerie van Buitenlandse
Zaken openlijk uitkwam voor haar steun aan terroristische aanvallen op landbouwcoöperaties
in Nicaragua, schreef Kinsley dat we deze officiële politiek niet te
snel moesten veroordelen. Hij gaf toe dat zulke internationale terroristische
acties ongetwijfeld "veel burgerleed" veroorzaakten. Maar als men
er in slaagt "het moreel te breken en het vertrouwen in de regering"
te ondermijnen dan kunnen deze wel eens "volledig legitiem" zijn.
Het beleid is "zinvol" als een "kosten-batenanalyse" laat
zien dat "het bloed dat vloeit en de ellende die wordt aangericht"
resulteert in "democratie," in de eerder besproken betekenis van
het woord.43
Als woordvoerder van gevestigd links houdt Kinsley vast aan het pragmatisch
criterium voor terreur; geweld mag geen doel op zichzelf zijn, enkel omdat
we het leuk vinden. Saddam Hoessein, Abu Nidal en de ontvoerders van de Hezbollah
hanteren hetzelfde criterium. Ook zij achten terreur zinloos tenzij deze hun
doelen dient. Met deze redenering kunnen we het verlichte Westerse denken
een plaats geven binnen het internationale gedachtegoed.
Een dergelijke rationele discussie over de rechtvaardiging van terreur is
bepaald niet ongebruikelijk. Daarom wekt het ook geen reacties op in gerespecteerde
kringen en komt er evenmin enig commentaar van links-liberale schrijvers en
lezers wanneer de New Republic, lange tijd beschouwd als het bolwerk van het
Amerikaans liberalisme, militaire steun aan "fascisten van het Latijns-Amerikaanse
stempel [verdedigt...] ongeacht hoeveel mensen daarbij worden vermoord"
omdat "Amerika hogere prioriteiten kent dan de mensenrechten in El Salvador".
Waardering voor de "heilzame doeltreffendheid" van terreur, om John
Quincy Adams' uitspraak te gebruiken, was een standaard kenmerk van het verlichte
Westerse denken. Het vormt grofweg het kader voor de propagandacampagne met
betrekking tot het internationale terrorisme in de jaren '80. Uiteraard wordt
het terrorisme tegen ons en onze vrienden fel afgekeurd als een uiting van
barbaarsheid. Maar de veel extremere terreur die wij en onze bondgenoten uitoefenen,
wordt of als constructief beschouwd of, in het ergste geval, als onbeduidend
wanneer het voldoet aan het pragmatisch criterium. Zelfs de groots opgezette
internationale terroristische campagne die de regering Kennedy tegen Cuba
lanceerde en die alles wat in dit opzicht aan officiële vijanden wordt
toegeschreven overtreft, bestaat gewoonweg niet in de gebruikelijke academische
discussies of in de mainstream media. In zijn alom geprezen standaardwerk
over internationaal terrorisme schildert Walter Laqueur Cuba af als een sponsor
van deze misdaad, louter op grond van insinuaties en gebrekkige bewijsvoering.
Terwijl hij de campagne van internationaal terrorisme tegen Cuba met geen
woord noemt; sterker nog, Cuba wordt gerekend tot de landen die "niet
gebukt gaan onder terreur." Latijns-Amerika-specialist Robert Wesson
van het Hoover Instituut schrijft dat na de Varkensbaaicrisis, toen de terreur
op zijn hoogtepunt was, "enkel niet-gewelddadige (...) maatregelen getroffen
werden tegen het Cubaans communisme," namelijk diplomatieke en economische
isolatie.44
Het uitgangspunt is duidelijk en onverbloemd: hun terreur is terreur en het
minste bewijs is voldoende om het af te keuren en om onschuldige burgers te
bestraffen die toevallig in de weg staan; onze terreur, zelfs als die veel
extremer is, is enkel politiek beleid, en vormt derhalve geen onderdeel van
de discussie over deze moderne plaag. Deze gang van zaken is begrijpelijk
in het licht van de eerder genoemde principes.45
Soms kan het aanpassingsvermogen van het systeem zelfs de meest doorgewinterde
toeschouwer nog verbazen. Niets wekte zoveel woede in de Amerikaanse publieke
opinie als het neerschieten van de KAL 007 door de Russische luchtmacht in
september 1983; de klein gedrukte New York Times index wijdde alleen al in
die maand zeven volledige pagina's aan deze gruweldaad. Het bleef niet geheel
onopgemerkt dat de reactie nogal anders was toen het Amerikaanse marineschip
Vincennes voor de kust van Iran een Iraans passagiersvliegtuig neerhaalde
- volgens marinebevelhebber David Carlson vanwege "de noodzaak om de
werking van Aegis te testen," een high-tech raketsysteem. Deze liet "hardop
zijn ongeloof blijken" toen hij vanaf een nabijgelegen marineschip de
gebeurtenissen waarnam. Het voorval werd afgedaan als een ongelukkige vergissing,
gemaakt onder moeilijke omstandigheden die de Iraniërs uiteindelijk aan
zichzelf te wijten hadden. Het laatste wapenfeit in dit veelzeggende drama
vond plaats in april 1990 toen de bevelhebber van de Vincennes, evenals de
officier die het gezag voerde over de luchtafweertroepen, de Legion of Merit
kreeg uitgereikt voor "uitzonderlijk verdienstelijk gedrag en de uitstekende
uitvoering van zijn taak" en voor de getoonde "rustige en professionele
sfeer" onder zijn commando ten tijde van het neerschieten van de Iraanse
airbus waarbij 290 personen omkwamen. "In de teksten van de eervolle
vermeldingen wordt de tragedie niet genoemd," aldus AP. De media vonden
het blijkbaar niet de moeite waard hier iets over te schrijven - ofschoon
Iraanse veroordelingen van het neerhalen van het vliegtuig hier en daar zijn
opgemerkt om ze vervolgens "door het hele politieke spectrum heen"
spottend van de hand te wijzen.46
Men kan zich de reactie voorstellen als Iran van "kritiek op de Verenigde
Staten in haar kranten" zou overgaan tot het dreigen met militaire vergelding
- daarvoor misschien inspiratie puttend uit een hoofdartikel in de Boston
Globe van Yossi Melman en Dan Raviv over hoe men Saddam Hoessein zou moeten
aanpakken: "Een strategische aanval op Irakese olievelden of een luchtmachtbasis
is waarschijnlijk gerechtvaardigd - vooral nadat de Amerikaanse geheime dienst
geluiden opving dat de Irakese president de piloot beloonde die "per
abuis" de USS Stark aanviel tijdens de Golfoorlog."47
Westerse lezers moeten veel moeite doen om iets te weten te komen over de
uitreiking van de Legion of Merit voor de bevelhebber van de Vincennes, maar
het ging niet onopgemerkt voorbij aan de Derde Wereld, waar journalisten ook
meteen de conclusies trokken die binnen de Westerse intellectuele cultuur
verboden zijn. In zijn commentaar op "Amerikaanse imperialistische politiek"
plaatst de Third World Resurgence (Maleisië) het neerschieten van de
Iraanse airbus in het lijstje van Amerikaans terrorisme in het Midden-Oosten.
De krant citeert de woorden bij de uitreiking en voegt er aan toe dat "de
Westerse bevolking, mede door toedoen van de media, de situatie in simplistische
zwart-wit termen ziet," en niet in staat is om te bevatten wat overduidelijk
is voor hen die ontsnappen aan de greep van het Westerse propagandasysteem.48
Moordpartijen op grote schaal worden veelal gemeten aan dezelfde criteria:
hun terreur en geweld zijn misdaden, die van ons zijn politiek beleid of begrijpelijke
fouten. In een studie naar Amerikaanse macht en ideologie van tien jaar geleden
namen Edward Herman en ik een groot aantal voorbeelden van twee soorten gruweldaden
opnieuw onder de loep, "goedaardige en constructieve bloedbaden"
die acceptabel of zelfs gunstig zijn voor de heersende belangen, en "schandelijke
bloedbaden" uitgevoerd door officiële vijanden. De reacties volgen
hetzelfde stramien als de behandeling van terrorisme. Eerstgenoemde bloedbaden
worden genegeerd, ontkend of soms zelfs toegejuicht; de laatstgenoemde leiden
tot woedende reacties en vaak op grote schaal tot bedrog en falsificaties
als het beschikbare bewijs niet overtuigend genoeg is.49
Eén vergelijking die we gedetailleerd uit de doeken deden, was bijzonder
verhelderend: het "goedaardige bloedbad" dat Indonesië aanrichtte
na de invasie van Oost-Timor in 1975, en het "schandalige bloedbad"
van de Rode Khmer toen deze in hetzelfde jaar Cambodja innam. We bekeken vrijwel
al het beschikbare materiaal (van dat moment, met name het tijdvak 1975-77),
en lieten zien dat het bewijsmateriaal omtrent deze twee vreselijke bloedbaden
- aangericht in hetzelfde deel van de wereld, in dezelfde tijd - vergelijkbaar
was. We toonden aan dat de twee slachtpartijen vergelijkbaar waren in omvang
en aard. Er waren ook verschillen. Een daarvan was dat voor het Indonesische
bloedbad belangrijk materieel en diplomatieke steun kwamen van de Verenigde
Staten en hun bondgenoten, en dat het gemakkelijk gestopt had kunnen worden
door er ruchtbaarheid aan te geven en de steun op te zeggen, terwijl niemand
een serieuze poging ondernam om de wreedheden van Pol Pot goed te praten.
Om die reden was het bloedbad in Oost-Timor voor het Westen veel belangrijker,
als we ten minste uitgaan van elementaire morele principes. Een tweede verschil
lag in de reactie op de twee bloedbaden. Een overzicht van alle artikelen
die we bekeken laat zien dat de wreedheden op Timor, en de cruciale bijdrage
daaraan van de VS en hun bondgenoten, genegeerd of ontkend werden; de media
meden zelfs getuigenissen van vluchtelingen, net als bij de Amerikaanse terreurbombardenten
op Cambodja een paar jaar daarvoor. In het parallelle geval van de Rode Khmer
vonden we daarentegen een staaltje van bedrog waar zelfs Stalin van onder
de indruk zou zijn geraakt, inclusief het massaal vervalsen van bewijsstukken,
het weglaten van 'nutteloos' bewijs (zoals daar zijn: de conclusies van Cambodja-waarnemers
van het ministerie van Buitenlandse Zaken, de bron met de meeste kennis maar
te sober voor het gewenste doel), etc.
De reactie op onze onthullingen is trouwens ook leerzaam: over het Timor-gedeelte
van het vergelijk, verder stilzwijgen, ontkenning en verdediging; over Cambodja
een groot protestkoor dat beweerde dat we de wreedheden van Pol Pot ontkenden
of bagatelliseerden. Dit was pertinent onjuist ofschoon het inderdaad voor
een gemiddelde volkscommissaris niet makkelijk is om een onderscheid te maken
tussen iemand die probeert bij de waarheid te blijven en iemand die wreedheden
bagatelliseert. Zeker niet als deze van nature op tilt slaat bij elke uiting
van twijfel over het recht te liegen in dienst van de staat, met name als
deze twijfel gepaard gaat met bewijzen voor het feit dat momenteel nog steeds
hulp wordt verleend aan bepaalde wreedheden.50
Vaak genoeg worden slachtingen op grote schaal welwillend bekeken, en wekt
het onthullen van directe betrokkenheid van de Amerikaanse regering hiebij
geen bijzondere belangstelling, zolang de gebruikte middelen ons dichter bij
het doel brengen.51 Ook is het niet onredelijk de dilemma's van de 'opstandsbestrijding'
af te doen als "functioneel" en "in ethisch opzicht neutraal."
Het is simpelweg een kwestie van het vinden van de juiste mix van de verschillende
technieken om de bevolking te controleren. Daarvoor zijn in de praktijk B-52
bombardementen, napalm, marteling, verminking en verdwijning beschikbaar,
en vriendelijker methoden als het uithongeren en het opsluiten van de bevolking
in concentratiekampen, ook wel "strategische nederzettingen" of
"modeldorpen" genoemd. Vooraanstaande theoretici met betrekking
tot deze vorm van internationaal terrorisme leggen rustig uit dat ofschoon
het een "wenselijk doel" is om "de loyaliteit [te winnen] van
de burger" aan de regering die we steunen of in het zadel hebben geholpen,
dit duidelijk een overweging van secundair belang is, en dat deze geen gepast
"conceptueel kader [biedt] voor programma's om verzet te bestrijden."
Het "centrale thema" zou "het beïnvloeden van het gedrag
moeten zijn en niet zozeer van de overtuigingen" (Charles Wolf, hoofdeconoom
van de RAND Corporation). Hume's probleem doet zich dan niet voor; men hoeft
zich er geen zorgen over te maken dat de macht in handen van de geregeerden
zou liggen. Om het gedrag te beïnvloeden zijn technieken als "in
beslag nemen van kippen, verwoesten van huizen en dorpen" tamelijk doeltreffend
zolang "duidelijkheid heerst over het feit dat de wreedheid waarmee de
regeringskrachten te werk gaan, een bewuste reactie is op het gedrag van de
bevolking die bijdraagt aan de verzetsbeweging." Als dat niet het geval
is, zal de terreur zinloos zijn. "De crux," aldus deze gerenommeerde
wetenschapper, zit hem erin om alle programma's te koppelen aan "het
soort gedrag van de burgers dat de regering wil stimuleren." Wolf wijst
op nog een voordeel van deze wetenschappelijke benadering die meer de nadruk
legt op het controleren van gedrag dan van overtuigingen: het moet het imago
van de opstandsbestrijding in de Verenigde Staten opvijzelen; we zijn tenslotte
een verlichte samenleving die wetenschap en technologie respecteert en niet
veel op heeft met mystieke beschouwingen over geest en ideeën. Let wel
dat we ons in de VS zelf, waar geweld jegens de bevolking geen optie is, wel
moeten richten op het controleren van overtuigingen en meningen.
Zelfs het massaal laten verhongeren is volledig legitiem zolang als het voldoet
aan het pragmatisch criterium, zoals dat wordt uitgelegd door professor David
Rowe, directeur postdoctorale studies op gebied van internationale betrekkingen
aan de universiteit van Yale. In een toespraak tot het Congres in de tijd
voordat China een gewaardeerde bondgenoot werd, adviseerde Rowe dat de VS
alle graanoverschotten van Canada en Australië moesten opkopen om op
die manier "algehele honger" onder een miljard mensen in China te
veroorzaken, een effectieve methode, merkte hij op, om de "interne stabiliteit
van dat land" te ondermijnen. Als ingewijde in het Aziatische denken
verzekerde hij het Congres dat deze politiek met name begroet zou worden door
de Japanners omdat die een demonstratie hadden gehad "van het geweldige
krachtige optreden van de Verenigde Staten...[en]...onze macht aan den lijve
hebben ondervonden" middels de brandbommen op Tokyo en in Hiroshima en
Nagasaki. Het zou "het Japanse volk [dus] ten zeerste alarmeren en hun
vriendelijke banden met ons doen wankelen" als we niet bereid zouden
blijken "om de macht waarvan ze weten dat we die hebben, [in Vietnam
en China] te gebruiken".52
Los van het gewicht van zijn visie bewandelde Rowe een plat getreden weg.
Als directeur van het humanitaire programma om voedsel te leveren aan uitgehongerde
Europeanen na de Eerste Wereldoorlog liet Herbert Hoover president Wilson
weten dat hij voorzag in "een kleine voedselstroom" om te garanderen
dat anti-bolsjewistische elementen aan de macht bleven. In reactie op geruchten
over "een ernstige opstand op 1 mei" in Oostenrijk, waarschuwde
Hoover de bevolking dat een dergelijke actie de schaarse voedselvoorziening
van de stad in gevaar zou brengen. Onder de communistische regering van Bela
Kun kreeg Hongarije geen voedsel, met de belofte dat het zou worden geleverd
als deze werd vervangen door een regering die de VS acceptabel achtten. De
economische blokkade, in combinatie met Roemeense militaire druk, dwong Kun
de macht op te geven en naar Moskou te vluchten. Gesteund door Franse en Engelse
troepen sloot het Roemeense leger een verbond met Hongaarse contra-revolutionairen.
Ze zaaiden een hoop reactionaire terreur en installeerden een extreem-rechtse
dictatuur onder admiraal Horthy die collaboreerde met Hitler in de volgende
fase van de strijd tegen het bolsjewistische monster. De dreiging met hongersnood
werd ook gebruikt om de kritieke verkiezingen in Italië in 1948 te beslechten
en om in Nicaragua in 1990 een loyaal bewind aan de macht te helpen, om maar
een paar voorbeelden te noemen. Dijken werden gebombardeerd in Zuid-Vietnam
om de voedselvoorziening voor Zuid-Vietnamese boeren te vernietigen die zich
verzetten tegen de Amerikaanse agressor. In heel Indochina werden oogsten
vernietigd, evenals recentelijk in Midden-Amerika. Deze praktijk gaat terug
tot de eerste Indiaanse oorlogen, en was uiteraard geen uitvinding van de
Engelse kolonisten.53
Een terugblik op Midden-Amerika gedurende de afgelopen tien jaar laat de doorslaggevende
rol van het pragmatisch criterium zien. Guatemala was nooit een thema omdat
massamoord en onderdrukking effectief bleken. In het begin veroorzaakte de
kerk enige problemen, maar, zoals Kenneth Freed schrijft in de Los Angeles
Times, toen "14 priesters en honderden medewerkers van de kerk tijdens
een militaire campagne werden gedood vanwege de steun van de kerk voor sociale
hervormingen als hogere lonen en stopzetting van de uitbuiting van indianen,"
was de kerk geïntimideerd en werd ze "vrijwel tot zwijgen gebracht."
"De fysieke intimidatie nam af," aan het pragmatisch criterium was
immers voldaan. De terreur nam opnieuw toe toen de VS werk begonnen te maken
van wat zij "democratie" plegen te noemen. "De slachtoffers,"
beschreven door een Europese diplomaat, "zijn bijna altijd mensen wier
ideeën of activiteiten gericht zijn op het helpen van anderen bij het
zichzelf losmaken van de beperkingen die hen worden opgelegd door degenen
die de economische of politieke macht hebben," zoals "een dokter
die zich voor de gezondheid van babies inzet" en daarom wordt "gezien
als iemand die een aanval pleegt op de gevestigde orde."54 De veiligheidsdiensten
van de "prille democratie," en de daaraan gelieerde doodseskaders
bleken de situatie redelijk in de hand te hebben zodat er geen reden was voor
al te grote bezorgdheid in de VS, en die was er dan ook vrijwel niet.
De media maakten nauwelijks melding van de grove schendingen van mensenrechten
in Guatemala toen Washington president Cerezo en zijn christen-democraten
onder druk begon te zetten om de meer rechtse elementen naar voren te schuiven,
om het gewenste resultaat te bereiken. Het hoeft niemand te verbazen dat Kenneth
Freed nadruk legt op Washingtons "afkeer" van de extreme mensenrechtenschendingen
door de veiligheidskrachten die het zelf ondersteunt. En in de New York Times
bericht Lindsey Gruson dat Washington zijn vertrouwen in het Guatemalteekse
leger vergroot, de bron van alle misstanden, inclusief het vertrouwen in de
Guatemalteekse Militaire Inlichtingendienst G-2, die berucht is om zijn vooraanstaande
rol in staatsterreur. Maar hij stelt de lezer gerust dat mensenrechten hoog
op de "Amerikaanse politieke agenda" voor Guatemala staan, een dogma
dat elk feit weerstaat.55
Freed voegt eraan toe dat generaal Hector Gramajo "begin jaren '80, toen
het Guatemalteekse leger de dood van tienduizenden mensen, met name burgers,
werd verweten, een hoge bevelhebber was." Maar, vervolgt hij, Gramajo
"wordt als gematigd gezien door de Amerikaanse ambassade" - het
bekende patroon. Freed citeert een Westerse diplomaat die betwijfelt of Gramajo
zelf middels doodseskaders die gelieerd zijn aan de veiligheidskrachten, "al
deze moorden in gang zet" ofschoon hij "zodra hij merkt dat links
zich probeert te organiseren, harde actie tegen hen toestaat, zoniet beveelt"
en "geen enkele overtreder over het hoofd ziet."
El Salvador en Nicaragua zijn ook illustratief voor het pragmatisch criterium.
De media deden alsof ze niet op de hoogte waren van de massamoorden die de
Salvadoraanse regering vanaf 1979 beging, en hielden de ergste wreedheden
verborgen. Begin jaren '80 leek het erop dat de VS betrokken raakten bij een
interventie die hun belangen schaadde; bijgevolg groeide de zorg en waren
er zelfs een paar maanden van tamelijk eerlijke berichtgeving. Maar toen de
terreur dankzij Amerikaanse steun zijn doel leek te bereiken, verdween alle
wroeging en raakte men opgetogen over de "democratie", terwijl de
regering zijn programma van terreur en intimidatie voortzette.
De enige reden dat men zich zorgen maakte over Nicaragua was dat terreur en
economische oorlogsvoering maar een beperkt succes hadden. Dit bleek overduidelijk
toen de bevolking uiteindelijk, na een decennium van terreur en vernietiging
in een land dat al zoveel te lijden had gehad van het gewelddadige regime
onder Somoza, gehoorzaamde aan de VS. Deze gebeurtenis leidde tot "unanieme
vreugde" onder het weldenkend deel van de bevolking.
Gedurende dit door barbarij en onderdrukking getekende decennium hebben liberale
humanisten zichzelf opgeworpen als critici van de door de VS gesteunde terroristische
staten in Midden-Amerika. Dat dit slechts een façade was blijkt uit
het feit dat men in gerespecteerde kringen welhaast zonder uitzondering eiste
dat in Nicaragua een zelfde moorddadig regime werd geïnstalleerd als
in de overige Midden-Amerikaanse landen. Dat wil zeggen een regime dat net
als in El Salvador en Guatamala is gebaseerd op doodseskaders en dat het dolende
bewind van de Sandinisten moet vervangen.56
Dieper onderzoek bevestigt de geldende normen. Uit de beschikbare documentatie
blijkt dat de oppositie tegen de Sandinisten bijna unaniem was en dat men
slechts van mening verschilde over de wijze waarop zij ten val moesten worden
gebracht. In schril contrast hiermee staan de gangster-regimes die reeds voldoen
aan de "regionale normen." In honderden onderzochte politieke commentaren
uit de nationale pers blijft het feit onvermeld dat de Sandinisten zich, in
tegenstelling tot de door de liberale duiven gesteunde regimes, ondanks hun
tekortkomingen niet aan massamoorden, terreur en marteling hebben schuldig
gemaakt. Deze commentaren onthullen dat dergelijke zaken volstrekt onbelangrijk
zijn voor de verlichte Westerse pers. In het verlengde hiervan is men het
er unaniem mee eens dat het enige leger dat moet worden ontmanteld, het leger
is dat zich niet regelmatig schuldig maakt aan massale terreur tegen de eigen
bevolking. Edward Herman merkte op dat aangezien er "achtenswaardige
en niet-achtenswaardige slachtoffers zijn" (waarbij de achtenswaardige
diegenen zijn die door officiële vijanden worden vervolgd en de niet-achtenswaardige
diegenen die aan ons ten prooi vallen en wier lot ons onverschillig laat)
er ook "achtenswaardige en niet-achtenswaardige legers" zijn. Wij
hoeven ons niet te bemoeien met achtenswaardige legers zoals dat van o.a.
Somoza, El Salvador, Guatemala en Indonesië omdat zij doen wat er gedaan
moet worden: zij moorden en martelen in ons belang. De niet-achtenswaardige
legers voldoen niet aan deze kwaliteitseisen en hebben zelfs het lef om de
eigen bevolking te beschermen tegen de moordenaars die wij op haar loslaten.
Daarom moeten zij worden vervangen door legers die meer sympathie hebben voor
onze behoeften en morele waarden. Dit alles is zo triviaal dat er geen aandacht
aan wordt besteed.
Dezelfde politieke commentaren over Nicaragua besteden tevens vrijwel geen
aandacht aan de sociale en economische hervormingen die in gang waren gezet
en die door internationale organisaties als opmerkelijk succesvol werden beschouwd,
totdat de VS er halverwege de jaren tachtig van de 20e eeuw in slaagde om
deze ongewenste vooruitgang te keren. Opvallend genoeg was het na de overwinning
voor de VS bij de verkiezingen van 1990 en dus nadat het gevaar voor de rijken
en machtigen was bezworen, ineens wel toegestaan om kennis te nemen van deze
feiten. Steeds weer verraadt de verlichte pers waar haar prioriteiten liggen.
Als we terugkeren naar Hume's principes van het regeren dan is het duidelijk
dat ze moeten worden verfijnd. Het is waar dat het, wanneer er een gebrek
aan machtsmiddelen is en gewone straffen niet meer voldoen, noodzakelijk is
toevlucht te nemen tot het 'creëren van draagvlak'. Het gebruik van geweld
tegen de bevolkingen in Westerse democratieën is taboe, in ieder geval
tegen hen die in de positie verkeren dat ze zich kunnen verdedigen. Anderen
echter zijn een legitiem doelwit van repressie en in de Derde Wereld is zelfs
grootschalige terreur toegestaan mits hiermee, volgens het liberale denken,
het gewenste doel wordt bereikt. Anders dan de ideologische fanaticus zal
een beschaafd staatsman begrijpen dat er op verantwoorde wijze en gedoseerd
van geweld gebruik moet worden gemaakt, net genoeg om de gewenste doelen te
verwezenlijken.
5. Vele wegen leiden naar Rome
Het pragmatisch criterium schrijft voor dat het gebruik van geweld alleen
is toegestaan als er gaan andere middelen meer zijn om het gepeupel in bedwang
te houden. Vaak echter kunnen andere wegen worden bewandeld. Een specialist
op het gebied van opstandsbestrijdng van het RAND instituut was onder de indruk
van "de relatieve volgzaamheid van de armere boeren en van het ontzag
dat ze hebben voor de landeigenaren in overwegend 'feodale' gebieden...[waar]
de landeigenaar nog aanzienlijke invloed heeft op het gedrag van de pachter
en onmiddellijk gedrag kan ontmoedigen dat in strijd is met zijn eigen belangen."57
Pas als de volgzaamheid wankelt, bijvoorbeeld door toedoen van bemoeizuchtige
geestelijken, zijn hardere maatregelen nodig.
Een van de geweldloze opties is de introductie van onderdrukkende wetgeving.
In Costa Rica waren de Verenigde Staten bereid een sociaal-democratische regering
te tolereren. De voornaamste reden hiervoor was dat vakbonden werden onderdrukt
en de belangen van de investeerders alle bescherming genoten. De grondlegger
van de Costaricaanse democratie, José Figueres, was een vurig pleitbezorger
van Amerikaanse bedrijven en van de CIA. Hij werd door het ministerie van
Buitenlandse Zaken beschouwd als "de meest ideale public relations instantie
die de United Fruit Company zich in Latijns-Amerika kan wensen." Maar
de meest prominente figuur van de Midden-Amerikaanse democratieën viel
in de jaren tachtig uit de gratie vanwege zijn kritiek op de door de VS geïnitieerde
oorlog tegen Nicaragua en op Washingtons pogingen om ook Costa Rica weer in
het 'geprefereerde Midden-Amerikaanse gelid' te laten lopen. Dat was de reden
waarom hij door vrije pers volledig werd doodgezwegen." Zelfs het uitbundige
hoofdartikel en het zeer uitgebreide in memoriam in de New York Times, waarin
hij naar aanleiding van zijn dood in juni 1990 werd geprezen als een 'voorvechter
van de democratie,' vermeden zorgvuldig iedere verwijzing naar deze pijnlijke
slippertjes.
Jaren daarvoor, toen hij nog niet zo onbeschaamd was, zag Figueres in dat
de Costa Ricaanse Communistische Partij, die vooral veel aanhang had onder
de plantagearbeiders, een onacceptabel gevaar vormde. Hij liet daarom haar
leiders arresteren, verklaarde de partij illegaal en intimideerde haar leden.
Dit beleid werd gedurende de hele jaren zestig volgehouden en de autoriteiten
verijdelden alle pogingen om een soort arbeiderspartij op te richten. Figueres
heeft deze maatregelen heel openhartig toegelicht: het was "een teken
van zwakte. Ik geef het toe, als men relatief zwak staat tegenover een krachtige
vijand dan moet je ook de moed hebben om dat onder ogen te zien." In
het Westen vond men dat deze maatregelen in overeenstemming waren met het
liberale concept van democratie en zij waren feitelijk de enige reden waarom
de VS "de Costa-Ricaanse uitzondering" tolereerde.58
Soms echter volstaat onderdrukkende wetgeving niet; het vijandelijk volk wordt
steeds machtiger. Wanneer de dominante rol in het politieke systeem van de
landeigenaren, ondernemers en militairen die het gewenste respect hebben voor
de Amerikaanse belangen, in gevaar dreigt te komen dan kun je er vergif op
innemen dat er wat alarmbellen gaan rinkelen. Geringe tekenen van een afwijkende
koers vragen om sterke maatregelen. Dat was het geval in El Salvador. Na de
brute onderdrukking van allerlei geweldloze activiteiten "stonden de
massa's [in 1980] aan de kant van de guerrilla's" was het oordeel van
José Napoleón Duarte, de door de VS aan de macht geholpen stroman.
Om het hoofd te bieden aan de dreiging van een vorm van nationalisme die open
stond voor de eisen en druk van de bevolking, was het noodzakelijk om over
te gaan tot een "uitroeiingsoorlog en genocide tegen een onbeschermde
burgerbevolking," zoals het een paar maanden na de moord op aartsbisschop
Romero door diens opvolger onder woorden werd gebracht. In diezelfde periode
roemde Duarte, bij zijn beëdiging als president van de militaire junta,
het leger voor "haar moedige strijd zij aan zij met het volk tegen de
opstandelingen". Als niet-militair president kon hij als dekmantel dienen
voor de uitgebreide steun van de VS aan de moordpartijen en aldus een door
het Westen gerespecteerde persoon worden.59
Relevante achtergronden werden geschetst door Pater Ignacio Martin-Baró,
een van de jezuïtische priesters die in november 1989 werden vermoord
en een vermaard Salvadoraans sociaal-psycholoog. Een aantal maanden voor zijn
dood hield hij in Californië een lezing over de "De Psychologische
Gevolgen van Politiek terrorisme" een aantal maanden voordat hij werd
vermoord.60 Hij benadrukte een aantal relevante punten. Ten eerste dat staatsterrorisme
verreweg de belangrijkste vorm van terrorisme is, dat wil zeggen, "het
terroriseren van de gehele bevolking door systematisch optreden van de eenheden
van de staat." Ten tweede is dit terrorisme een cruciaal onderdeel van
het door de "regering opgelegde sociaal-politiek project", ontworpen
om aan de behoeften van de elite tegemoet te komen. Om het te implementeren
moet de gehele bevolking "geterroriseerd worden door een geïnternaliseerde
angst." Martin-Baró zinspeelt alleen op een derde punt, een punt
dat voor een Westers publiek het meest belangrijk is: het sociaal-politieke
project en het voor de implementering ervan benodigde staatsterrorisme zijn
niet voorbehouden aan El Salvador, maar zijn kenmerkend voor de derdewereldlanden
die binnen de invloedssfeer van de VS vallen. De redenen hiervoor zijn diep
geworteld in de Westerse cultuur, instituties en beleidsplanning, en volkomen
in overeenstemming met de waarden van het verlichte denken. Deze cruciale
factoren verklaren veel meer dan alleen het lot van El Salvador.
In dezelfde lezing refereert Martin-Baró aan de "grootscheepse
campagne van het politiek terrorisme" in El Salvador tien jaar daarvoor
op initiatief en met ondersteuning van de VS. Bovendien merkt hij op dat het
er "sinds 1984, met de komst van de zogenaamde democratische regering
in El Salvador onder Duarte, op leek dat er iets zou veranderen," maar
in werkelijkheid "veranderde er niets. Wat anders was, was dat de geterroriseerde
bevolking nog maar de keuze had uit twee opties: naar de bergen te gaan om
zich aan te sluiten bij de rebellen of zich neer te leggen - in ieder geval
naar buiten toe - bij het beleid van de regering." De moordpartijen namen
toen in hoeveelheid af, een ontwikkeling die bij ons leidde tot veel hulde
aan onszelf voor de goede invloed die wij uitoefenen. De reden voor de afname,
aldus Martin-Baró, "was dat de noodzaak voor extreme gevallen
minder was omdat de mensen zo geterroriseerd en verlamd waren."
Het doel bleef hetzelfde: "het elimineren van alle oppositie en protest van betekenis." De "smerige oorlog is nooit tot een einde gekomen en is de belangrijkste methode waarmee de Verenigde Staten in El Salvador hun sociaal-politieke project proberen te bereiken," zelfs nadat er een "formele democratie" werd ingevoerd om vanuit Westers oogpunt "de oorlog te legitimeren." Deze methoden hebben er voor gezorgd dat "volksorganisaties werden ontmanteld," omdat "het bestaan van organisaties die negatief ten opzichte van de regering staan, niet acceptabel was en de strijdbare personen die nog niet waren vermoord, naar het buitenland vluchtten of onderdoken of verlamd door angst de strijd staakten." Door "het verzwakken van de basis van de revolutionaire beweging in alle geledingen van de bevolking, is er geen twijfel dat de smerige oorlog een succes was - een griezelig succes laat daar geen twijfel over bestaan, maar desalniettemin een succes."61
Gedurende de jaren tachtig en lang na de invoering van de "democratie" hebben kerkelijke groeperingen en mensenrechtenorganisaties herhaaldelijk beschreven hoe de veiligheidstroepen van de "prille democratie" met de volledige ondersteuning van de Verenigde Staten, "door middel van aanhoudende schendingen van de mensenrechten een regime van terreur en angst," oplegden aan het Salvadoraanse volk dat is getekend door "collectieve intimidatie en alomtegenwoordige angst enerzijds en de geïnternaliseerde acceptatie van de terreur als gevolg van dagelijkse en veelvoorkomende confrontatie met geweld aan de andere kant." "In het algemeen wordt het herhaaldelijk opduiken van gemartelde lichamen door de maatschappij geaccepteerd omdat het recht op leven, een van de basisrechten, in onze maatschappij absoluut geen vanzelfsprekende waarde is." (Socorro Juridico, december 1985). Deze laatste opmerking geldt ook voor de toezichthouders, zoals een aantal maanden later nog werd onderstreept door de minister van Buitenlandse zaken George Shultz in een van zijn klaagzangen over terrorisme, een rede die hij hield juist toen de VS een luid geprezen terreurbombardement uitvoerde op Libië waarbij vele burgers werden gedood. In El Salvador, verklaarde hij, "hebben we iets bereikt waar alle Amerikanen trots op kunnen zijn" - dat wil zeggen, alle Amerikanen die genieten van het schouwspel van gemartelde lichamen, stervende kinderen, terreur en paniek en alomtegenwoordige angst.62
In een essay over massamedia en publieke opinie in El Salvador dat hij zou voordragen op een Internationaal Congres in december 1989, de maand nadat hij werd vermoord, schreef Martin-Baro dat het opstandsbestrijdingsproject van de VS de "nadruk legt op een formele vorm van een democratie" en dat de massamedia moeten worden gezien als een instrument voor "psychologische oorlogvoering". De kleine onafhankelijke kranten in El Salvador, hoewel mainstream en pro-bedrijfsleven, werden door de machthebbers als te eigenzinnig beschouwd en waren tien jaar daarvoor al door de veiligheidstroepen op de gebruikelijke wijze onder handen genomen - middels ontvoeringen, moordpartijen en bomaanslagen, gebeurtenissen die voor ons geen nieuwswaarde hebben. In zijn nimmer voorgedragen essay doet Martin-Baro verslag van een opinieonderzoek dat laat zien dat minder dan 20% van de arbeiders, de lage middenklasse en de armen zich vrij voelt om in het openbaar hun mening te geven, een percentage dat voor de rijken opliep tot 40% - nog een eerbetoon aan de heilzame doeltreffendheid van terreur, en nog zo'n resultaat "waar alle Amerikanen trots op kunnen zijn."63
De continuïteit van het Amerikaanse beleid wordt goed geïllustreerd door de staat van dienst van het Atlacatl Bataljon "wiens soldaten op professionele wijze gehoorzaamden aan hun officieren die hen de opdracht hadden gegeven om de Jezuïeten in koelen bloede te vermoorden," zoals bij de tiende verjaardag van de moord op aartsbisschop Romero wordt opgemerkt door Americas Watch. Deze organisatie doet verslag van een aantal prestaties van deze elite-eenheid, die "gecreëerd, getraind en opgeleid werd door de Verenigde Staten." Het Atlacatl Bataljon werd samengesteld in maart 1981, toen 15 opstandsbestrijdingsspecialisten van de US Army School of Special Forces naar El Slavador werden gestuurd. Van het begin af aan was het bataljon "betrokken bij de moord op grote hoeveelheden burgers." Een professor van de US Army School of the Americas in Fort Benning, Georgia, beschrijft de soldaten als "uitzonderlijk wreed". "Het is altijd moeilijker geweest hen mensen gevangen te laten nemen dan oren af te laten snijden." In december 1981 nam het bataljon deel aan een operatie waarbij honderden burgers werden vermoord in een orgie van moord, verkrachting en brandstichting. Volgens het juridisch bureau van de kerk vielen er meer dan 1000 doden. Later was het betrokken bij het bombarderen van dorpen en het vermoorden van honderden burgers, onder andere door middel van executies en verdrinking, van wie de overgrote meerderheid bestond uit vrouwen, kinderen en bejaarden. Dit is het vaste patroon van bijzondere oorlogvoering in El Salvador die begon met een belangrijke militaire operatie in mei 1980, waarbij 600 burgers werden vermoord en verminkt bij de Sumpul rivier, een gezamenlijke operatie van het Hondurese en Salvadoriaanse leger. Een slachting die aan het licht werd gebracht door de kerk, mensenrechtenonderzoekers en de buitenlandse pers, maar waaraan door de Amerikaanse media, die ook zo hun functie hebben in de psychologische oorlogvoering, geen aandacht werd besteed.64
Het Lawyers Committee for Human Rights beweerde in een brief aan de minister van Defensie, Dick Cheney, dat de moordenaars van de Jezuïeten door de US Special Forces nog tot drie dagen voor de moorden waren getraind. Pater Jon de Cortina, hoofd van de Bouwkundefaculteit op de Jezuïtische Universiteit in El Salvador waar de priesters werden vermoord, beweerde bovendien dat de Amerikaanse militaire instructeurs dezelfde waren als de Amerikaanse soldaten die een paar dagen later in de val liepen in een hotel in San Salvador, bij een incident dat veel aandacht kreeg. Een aantal van de ergste door het Atlacatl Bataljon aangerichte slachtingen in de eerste jaren na de oprichting ervan vond plaats wanneer ze juist waren teruggekeerd van hun Amerikaanse training.65
De aard van de Salvadoraanse legertraining werd beschreven door een deserteur die politiek asiel verwierf in juli 1990 in Texas nadat de rechter het verzoek van het ministerie van Buitenlandse Zaken om de man geen asiel toe te kennen en terug te sturen naar El Salvador had verworpen. In deze prille democratie zijn de rijken immuun voor de dienstplicht; het zijn de tieners uit de sloppenwijken en vluchtelingenkampen die worden samengedreven tijdens razzia's. Volgens de deserteur, wiens naam om voor de hand liggende redenen niet door de rechtbank werd vrijgegeven, werden de jonge soldaten gedwongen om honden en gieren te vermoorden door ze de strot door te bijten en hun kop eraf te draaien. Ze moesten ook toekijken hoe soldaten verdachte dissidenten martelden en vermoorden, bij het uitrukken van vingernagels, afhakken van hoofden, en het in stukken hakken van lichamen "alsof het speelgoed was en bij het gespeel met hun wapens," of bij het laten verhongeren en het martelen tot de dood er op volgt. De rekruten werd verteld dat zij hetzelfde moesten doen, dat het martelen van mensen en dieren "een echte man van je maakt en je moedig maakt."66
Bij een ander recent geval legde César Vielman Joya Martinez, een erkend lid van een Salvadoraans doodseskader dat banden heeft met het Atlacatl Bataljon, getuigenis af van zijn persoonlijke ervaringen met staatsterreur. Hij verschafte gedetailleerde informatie over de betrokkenheid van Amerikaanse inlichtingendienst en adviseurs van de regering tot op het hoogste niveau, alsmede belangrijk bewijsmateriaal over de moord op de Jezuïeten. Zijn verklaringen worden bevestigd door uitlatingen van een eveneens gedeserteerde collega tegenover een Mexicaanse mensenrechtencommissie. Na een aanvankelijke belofte dat het verhaal van Martinez zou worden onderzocht, deed de regering van Bush er alles aan om hem het zwijgen op te leggen, en om hem terug te sturen naar El Salvador waar hij zijn waarschijnlijke dood zou vinden, ondanks het feit dat mensenrechtenorganisaties en het Congres bepleitten dat hij beschermd zou moeten worden en dat zijn getuigeverklaring gehoord zou worden. De behandeling van de belangrijkste getuige van de moord op de Jezuïeten was vergelijkbaar.67
Er moet worden opgemerkt dat de moord op de Jezuïtische intellectuelen
op ongeveer dezelfde wijze in het nieuws kwam. Hun moord en het gerechtelijk
onderzoek voor zover er sprake van was, kregen enige aandacht, maar niet waarom
ze werden vermoord. Daarover is vrijwel niets te vinden, zelfs niet toen het
op een presenteerblaadje werd aangeboden. Bijvoorbeeld, in augustus 1990 bij
de conferentie van de American Psychological Association in Boston waren er
een reeks panels en symposia over het werk van pater Martin-Baró. Er
werd onder andere een videotape vertoond van zijn speach in California vlak
voordat hij werd vermoord. De conferentie werd uitgebreid behandeld door de
Boston Globe, maar deze sessies niet. Op de betreffende dag gaf de Boston
Globe de voorkeur aan een essay over gelaatsuitdrukkingen van mannen die aantrekkelijk
zijn voor vrouwen.68 First things first, after all.
Toen Antonio Gramsci na de machtsovername in Italië door de fascisten
gevangen werd genomen, werd het oordeel over zijn geval geveld door de regering
met de volgende opmerking: "We moeten het functioneren van dit brein
voor de komende twintig jaar stoppen."69 Onze huidige gunstelingen laten
minder aan het lot over: het functioneren van hersenen moeten voor altijd
gestopt worden, en we zijn het er over eens dat hun gedachten over zaken als
staatsterrorisme beter maar niet te beluisteren zijn.
De resultaten van de Amerikaanse militaire trainingen blijken overduidelijk
uit de overvloed aan documenten van mensenrechten groepen en de Salvadoraanse
kerk. Ze worden uitvoerig beschreven in het Jezuïtische blad America,
door de in El Salvador werkende katholieke priester, Daniel Santiago. Hij
doet verslag van het verhaal van een boerin, die op een dag thuis komt en
haar moeder, zuster en drie kinderen aantreft aan de tafel, het afgehakte
hoofd van allen zorgvuldig op de tafel geplaatst voor het lichaam, de handen
zo geplaatst "alsof ieder lichaam zijn eigen hoofd aaide." De moordenaars
van de Salvadoraanse Nationale Garde hadden moeite om het hoofdje van de baby
van 18 maanden op zijn plaats te houden, dus hebben ze met spijkers de handjes
aan het hoofd bevestigd. Een grote plastic schaal gevuld met bloed was op
smaakvolle wijze in het midden van de tafel geplaatst.70
Een ander voorbeeld is veelzeggend door de achtergronden, toen in januari
1988 de VS de vredesakkoorden voor Midden-Amerika op doeltreffende wijze van
tafel veegden door hun moorddadige cliënten uit te zonderen van de in
het vredesakkoord bepaalde voorwaarden voor "rechtvaardigheid, vrijheid
en democratie," "respect voor de mensenrechten," en voor het
waarborgen van "de onschendbaarheid van alle vormen van leven en vrijheid."
Op het moment dat dit 'succes' werd opgetekend, werd op een bekende dump-plek
van de doodseskaders de lichamen gevonden van twee mannen en een jongetje.
Ze waren geblinddoekt, hun handen waren op de rug gebonden en ze droegen de
sporen van martelingen. De onafhankelijke mensenrechtencommissie, die ondanks
het uitmoorden van haar oprichters en directeuren blijft functioneren, deed
verslag van 13 gevonden lichamen in de twee weken daarvoor, waarvan de meesten
waren gemarteld. Hieronder bevonden zich twee vrouwen die aan hun haar aan
een boom waren opgehangen, hun borsten afgesneden en hun gezichten rood geverfd.
De rapporten werden uit angst voor de staatsterreur anoniem afgegeven. De
informatie werd door de [wire services] door gegeven en door de Canadese media
prominent gebracht, maar niet door de Amerikaanse nationale pers.71
Eerwaarde Santiago schrijft dat de gruwelijkheden waarvan hij verslag doet,
bedacht zijn door de gewapende troepen met het doel om te intimideren. "Mensen
worden niet simpelweg vermoord door een doodseskader in El Salvador - ze worden
onthoofd en hun hoofden worden op spiesen geplaatst en gebruikt om het landschap
te versieren. Mannen worden niet alleen opengereten door de Salvadoran Treasure
Police; hun afgehakte genitaliën worden in hun mond gestopt. Salvadoraanse
vrouwen worden niet gewoon verkracht door de Nationale Garde; hun baarmoeders
worden uit hun lichaam gesneden en gebruikt om hun gezicht te bedekken. Het
volstaat niet om kinderen te vermoorden; ze worden over prikkeldraad getrokken
totdat het vlees van hun botten valt terwijl de ouders moeten toekijken."
"De esthetiek van de terreur in El Salvador is religieus." Het doel
is om het individu ervan te doordringen dat het volledig ondergeschikt is
aan het Vaderland, dat is de reden dat de doodseskaders soms het "Leger
van Nationale Redding" wordt genoemd, door de regerende partij ARENA,
wiens leden (waaronder President Cristiani) een [blood oath] doen aan de "leider-voor-het-leven"
Roberto d'Aubuisson.
De gewapende strijdkrachten "ronselen recruten" van 13 jaar oud,
en indoctrineren ze met de van de Nazi SS overgenomen rituelen, waaronder
onmenselijke behandeling en verkrachting, zodat ze er klaar voor zijn om te
moorden met seksuele [overtones], zoals in een religieuze rite. De verhalen
van de trainingen "zijn geen sprookjes"; het wordt "onderstreept
door het harde bewijs van lijken, toegetakelde lichamen, verpletterde schedels
en ooggetuigen." Deze "sado-masochistische moorden creëren
angst," en "angst creëert passiviteit ondanks de onderdrukking.
Een passieve bevolking is gemakkelijk te beheersen," zodat er voldoende
slaafse arbeiders zijn, en waardoor het sociaal-politieke project doorgevoerd
kan worden, zonder al te veel problemen/in berusting.
Eerwaarde Santiago herinnert ons eraan dat de golf van geweld een reactie
is op de pogingen van de kerk in de 70-er jaren om de armen te organiseren.
De staatsterreur bereikte een hoogtepunt toen de kerk boeren-associaties en
zelfhulp groepen ging opzetten, die samen met andere volksorganisaties, "als
een lopend vuur door de Latijns-Amerikaanse gemeenschappen gingen," schrijft
Lars Schoultz. Dat de VS direct overging tot massale repressie, met behulp
van locale elites, is alleen een verassing voor hen die willens en wetens
onwetend zijn van de geschiedenis en de relevante beleidsstukken.72
Pater Ignacio Ellacuria, rector van de Jezuïtische universiteit voordat
hij samen met Father Martin-Baro werd vermoord, beschreef El Salvador als
"een verscheurde werkelijkheid, bijna tot dodens toe verwond." Hij
was naaste medewerker van Aartsbisschop Romero en was bij hem toen de Aartsbisschop
een brief schreef aan President Carter, waarin hij smeekte om het stopzetten
van de hulp aan de junta. Te vergeefs. De Aartsbisschop sprak tot pater Ellacuria
dat zijn brief het gevolg was van "het nieuwe concept van speciale oorlogsvoering,
die er uit bestond om iedere poging van burgers om zich te organiseren op
moorddadige wijze uit te roeien onder de beschuldiging van communisme of terrorisme."73
Speciale oorlogsvoering, of het nu eufemistisch opstandsbestrijding [counterinsurgency],
of low intensity conflict wordt genoemd, is eenvoudigweg internationaal terrorisme
- en is al sinds lange tijd officieel Amerikaans beleid, een van de wapens
in het arsenaal dat wordt gebruikt om het gewenste sociaal-politieke project
te verwezenlijken.
Hetzelfde geldt voor buurland Guatemala. Latijns-Amerika wetenschapper Piero
Gleijeses schrijft dat in de traditionele "cultuur van angst," wrede
onderdrukking volstond om rust en orde op te leggen; "Zoals indianen
gebrandmerkt werden als wilde beesten om hun uitbuiting te rechtvaardigen,
zo worden zij die sociale verandering zochten gebrandmerkt als communisten
om eveneens hun vervolging te rechtvaardigen." De periode tussen 1944
en 1954 vormde de enige uitzondering, en werd gekenmerkt door een "politieke
democratie, de sterke communistische invloed op de regering van President
Jacobo Arbenz (1951-54), en de landbouwhervormingen van Arbenz" - "jaren
van lente in het land van de eeuwige tirannie," zoals een Guatemalteekse
dichter het onder woorden bracht. Een half miljoen mensen kreeg het stukje
land dat ze zo ontzettend nodig hadden, de eerste keer in de geschiedenis
van Guatemala dat "de indianen land werd aangeboden, in plaats dat het
van hen werd gestolen."
Er blies een nieuwe wind over het Guatemalteekse boerenland. De cultuur van angst verloor haar grip op het grootste deel van de Guatemalteekse bevolking. In de nabije toekomst, zou ze volledig verdwijnen, als een vage nachtmerrie.De leiders van de communistische partij maakten zich volgens de Amerikaanse ambassade als enigen niet schuldig aan corruptie en eerzucht. Ze "waren zeer eerlijk, erg toegewijd," "de enigen die hard werkten," aldus een medewerker van de ambassade. "Het was een tragedie," voegde hij eraan toe, dat zij "onze ergste vijanden" waren en moesten worden verwijderd en de veranderingen die ze tot stand hadden gebracht moesten worden teruggedraaid.
Hume's paradox van het regeren komt alleen maar aan de orde als we aannemen
dat vrijheidsdrang een essentieel aspect is van de menselijke natuur, dat
wat Bakoenin "een instinct voor vrijheid" noemt. Het nalaten om
volgens dit instinct te handelen was waar Hume zich over verwonderde. Dezelfde
tekortkoming was de inspiratie voor Rousseau's klassieke klaagzang dat de
mensen vrij worden geboren maar overal geketend zijn, verleid door de illusies
van de burgerlijke maatschappij die gecreëerd is door de rijken om hun
roofbuit te waarborgen. Men zou het vrijheidsinstinct kunnen aannemen als
een van de "aangeboren cognitieve concepten" die richting geven
aan ons handelen en denken. Er zijn pogingen ondernomen om het vrijheidsinstinct
te onderbouwen door middel van een onafhankelijke theorie over de menselijke
natuur. Die zijn zeker niet zonder belang, maar het komt niet in de buurt
van een goede oplossing. Zoals andere dogma's over gezond verstand, de overtuiging
is niet meer dan een ordenend principe dat we aannemen of verwerpen op basis
van geloof. De keuze die we maken kan grote gevolgen hebben voor onszelf en
anderen.
Zij die op basis van het gezonde verstand ervan uitgaan dat vrijheid een natuurlijk
recht en een wezenlijke behoefte is, zullen het eens zijn met Bertrand Russel
dat het anarchisme "het uiteindelijke doel van de maatschappij",
zal moeten zijn. Alle structuren van hiërarchie en overheersing zijn
in de basis onrechtmatig. Het in stand houden van dit soort structuren is
alleen gerechtvaardigd op basis van argumenten voor de eventuele noodzaak,
hetgeen slechts zelden het geval blijkt te zijn bij een nauwgezette beoordeling.
Zoals Russel 70 jaar geleden opmerkte, "de traditionele autoriteitsverhoudingen"
hebben geen waarde in zichzelf. Er zijn redenen nodig voor mensen om afstand
te doen van hun rechten, "en de redenen die worden voorgehouden zijn
drogredenen, die alleen hen overtuigen die een egoïstisch belang hebben
om overtuigd te worden." Hij vervolgde: "De voorwaarden voor opstand
bestaan voor vrouwen ten opzichte van mannen, voor onderdrukte landen ten
opzichte van hun onderdrukkers, maar bovenal voor arbeid ten opzichte van
kapitaal. Het is een toestand vol gevaren, zoals de geschiedenis laat zien,
maar ook vol hoop."86
Volgens Russell was de gewoonte van onderdanigheid voor een deel te herleiden
tot de praktijk op school. Zijn denkbeelden herinneren aan de 17de en 18de
eeuwse denkers die stelden dat de geest niet gevuld moet worden met kennis
"van buiten, zoals een vat," maar dat hij "ontvlamd en wakker
gemaakt" moet worden." "De groei van kennis komt overeen met
de groei van fruit; hoewel externe factoren tot op zekere hoogte een bijdrage
kunnen leveren, zijn het de interne vitaliteit, en de goede eigenschappen
van de boom, die de sappen rijp moeten maken voor een volwaardige groei."
Hetzelfde gedachtegoed ligt ten grondslag aan het verlichtingsdenken over
politieke en intellectuele vrijheid en aan de vervreemding van arbeid die
van de arbeider een verlengstuk van iets anders maakt, in plaats van een menselijk
wezen dat zijn innerlijke behoeften bevredigt - een grondbeginsel van het
klassieke liberale gedachtegoed, dat al lang is vergeten, wegens de revolutionaire
consequenties ervan. Deze ideeën en waarden behouden hun kracht en toepasselijkheid,
alhoewel de verwezenlijking waar dan ook nog heel ver weg is. Zolang dit het
geval is, blijven de onvoltooide libertaire revoluties van de 18de eeuw een
leidraad voor de toekomst.87
Men zou dit aangeboren cognitieve concept bevestigd kunnen zien in het feit
dat ondanks alle pogingen om het te bedwingen, het gepeupel nog immer vecht
voor haar fundamentele mensenrechten. En in de loop der tijden zijn enkele
van die libertaire idealen gedeeltelijk verwezenlijkt of zelfs gemeengoed
geworden. Vele van de schandelijke ideeën van de radicale democraten
uit de 17de eeuw zijn bijvoorbeeld tegenwoordig niets bijzonders meer, terwijl
andere van deze vroege inzichten buiten het bereik van de huidige morele en
intellectuele inzichten blijven.
De strijd voor de vrijheid van meningsuiting is een interessant en zeer belangrijk
geval omdat deze de kern vormt van een hele reeks vrijheden en rechten. De
belangrijke vraag in de moderne tijd is wanneer, als dat al is toegestaan,
de staat mag ingrijpen om hetgeen gecommuniceerd wordt te verbieden. Zoals
al eerder werd opgemerkt hebben zelfs vooraanstaande vrijdenkers niet al te
ruime en beperkende ideeën over dit onderwerp.88 Een belangrijk thema was
opruiende smaad, het idee dat een verbale aanval op de staat een misdrijf
zou kunnen zijn, "het kenmerk van gesloten samenlevingen in de wereld,"
zoals rechtshistoricus Harry Kalven opmerkt. Een maatschappij die wetten tolereert
tegen smaad is niet vrij, wat haar andere deugden ook mogen wezen. In het
laat 17de eeuwse Engeland werden mannen gecastreerd, opengereten, gevierendeeld
en onthoofd voor deze misdaad. In de 18de eeuw was het de algemene overtuiging
dat de gevestigde macht zich alleen in stand kon houden door het tot zwijgen
brengen van subversieve discussies, en dat "iedere denkbeeldige of daadwerkelijke
bedreiging van de goede naam van de regering" met geweld moest worden
tegengehouden (Leonard Levy). "Gewone mensen moeten niet hun meerderen
gaan beoordelen
" want, "dit zou iedere regering onmogelijk
maken," schreef een redacteur. Dat een uitspraak waar was werd niet geaccepteerd
als verdediging: ware beschuldigingen zijn zelfs misdadiger dan onware beschuldigingen,
omdat ze de autoriteiten nog meer in opspraak brengen.89
De omgang met afwijkende meningen in onze tijd, alhoewel veel vrijer, is vergelijkbaar.
Onware en belachelijke beschuldigingen zijn geen enkel probleem; de maatschappij
moet beschermd worden tegen onredelijke critici die ongewenste waarheden onthullen.
Het dogma van opruiende smaad werd ook in de Amerikaanse koloniën gehandhaafd.
De onverdraagzaamheid tegenover afwijkende meningen ten tijde van de revolutionaire
periode was berucht. De vooraanstaande Amerikaanse vrijdenker, Thomas Jefferson,
onderstreepte dat "een verader in gedachten, maar niet in daden,"
straf verdiende en gaf opdracht tot de internering van politieke verdachten.
Hij en de andere Founding Fathers waren het erover eens dat "verraderlijke
en oneerbiedige woorden" gericht tegen de autoriteiten van de federale
overheid of tegen een van de afzonderlijke staten een misdaad waren. "Tijdens
de Revolutie," merkt Leonard Levy op,
"vond Jefferson, net als Washington, Adams en Paine dat er geen belangrijke verschillen in politieke overtuigingen konden bestaan met betrekking tot de onafhankelijkheid, en geen alternatief buiten de volledige onderwerping aan de patriottische zaak. Overal was er onbelemmerde vrijheid om de revolutie toe te juichen, nergens om haar te bekritiseren."
Hyper-Noten
| 1 | Davie, The Democratic Intellect (U. of Edinburgh, 1961), p. 274f. |
| 2 | Zie mijn "Intellectuals and the state," 1977, herdrukt in Towards a New Cold War; Necessary Illusions. Clinton Rossiter en James Lare, eds., The Essential Lippmann: a Political Philosophy for Liberal Democracy (Harvard, 1982), pp. 91-2. |
| 3 | Marchamont Nedham, 1650, geciteerd door Edmund S. Morgan, Inventing the People (Norton, 1988), p. 79; Hume, 1, geciteerd in Davie. |
| 4 | Met instemming geciteerd door Timothy Garton Ash, New York Review of Books, 18 januari 1990, en William Luers, Foreign Affairs, voorjaar 1990. |
| 5 | Mine, AP, 28 november; Rita Beamish, AP, 29 november 1989. Over de reactie op het vermoorden en martelen van priesters en mensenrechtenactivisten, zie Manufacturing Consent, hoofdstuk 2; Necessary Illusions, p. 138f. Over de mislukte pogingen om de feiten weg te verklaren en de voor de handliggende consequenties te ontlopen, zie ibid., pp. 145-8. |
| 6 | Nairn, "Murder bargain," Cleveland Plain Dealer, 16 februari 1990. |
| 7 | John Saxe-Fernandez, Excelsior, 21 november 1989, in Latin America News Update, januari 1990; TNR, 19 maart 1990. |
| 8 | Geciteerd door Jon Reed, Guardian (New York), 23 mei 1990. |
| 9 | Guillermo Melendez, Excelsior, 7 April 1990; Central America NewsPak, 9 april 1990. Over de geslaagde ondermijning van het vredesplan door de Amerikaanse regering en media, en de rol van Oscar Arias in deze onderneming, zie Culture of Terrorism, hoofdstuk 7; Necessary Illusions, 89ff. en Appendix IV, paragraaf 5. Alsmede hoofdstuk 2, pp. 77f; hoofdstuk 8, paragraaf 6; hoofdstuk 9, pp. 297f. |
| 10 | Zie Necessary Illusions, 41-2, 123-30; Appendix V, paragraaf. 6, 7. Godoy, Nation, 5 Maart. Korea, AP, 5 Mei 1990 |
| 11 | Margaret Judson, geciteerd door Leonard W. Levy, Emergence of a Pree Press (Oxford, 1985), 91. |
| 12 | Christopher Hill, The World Turned Upside Down (Penguin, 1975). Over Locke, zegt Hill nog dat, "Locke hiermee niet bedoelde dat geestelijken het volk moesten voorlichten; dat was de taak van God." |
| 13 | Levy, Emergence, pp. 98-100. Over de "verregaande intolerantie" van Milton’s Areopagitica, dat doorgaans wordt beschouwd als een baanbrekend liberaal geschrift, zie John Illo, Prose Studies (mei 1988). Volgens Milton was de strekking van zijn traktaat dat "het bepalen van waarheid en bedrog en van wat kan worden gepubliceerd en wat niet geen taak kan zijn van ongeschoolde mensen met een beperkt beoordelingsvermogen" maar uitsluitend van een "hiervoor aangestelde ambtenaar" met de juiste overtuigingen en het gezag om publicaties te weren die hij als "schadelijk of lasterlijk," "misleidend en schandalig," "goddeloos of kwaadaardig en absoluut in strijd met het geloof of de goede zeden," alsmede als "pausgezind of bijgelovig" beschouwd. |
| 14 | Morgan, Inventing the People, pp. 75-6. |
| 15 | Zie Deterring Democracy, hoofdstuk 8, p. 253 |
| 16 | Todorov, The Conquest of America (Harper & Row, 1983), pp. 5, 150. |
| 17 | Francis Jennings, Empire of Fortune (Norton, 1988), hoofdstuk 1. Indianen hebben "behalve hun vorm niets menselijks," schreef Washington: "...de geleidelijke uitbreiding van onze nederzettingen zal zonder twijfel tot gevolg hebben dat de wilde en de wolf zich moeten terugtrekken; beide zijn roofdieren hoewel ze verschillen in uiterlijk." Ibid., p. 62; Richard Drinnon, Facing West, 65, een brief van Washington uit 1783 citerend. |
| 18 | Zie Turning the Tide, pp. 162-3. |
| 19 | Morgan, op. cit., p. 79, nadruk overgenomen uit origineel. |
| 20 | Ibid., pp. 168f. |
| 21 | Lenin, 1922, Geciteerd door Moshe Lewin, Lenin’s Last struggle (Pantheon, 1968). Lewin’s interpretatie van Lenin’s doeleinden en politieke activiteiten is echter ver verwijderd waar ik hier op doel. |
| 22 | James R. Brockman, America, 24 maart 1990. Over de gruweldaden van 1980 en de verdringing ervan door de media, zie Towards a New Cold War, inleiding; Turning the Tide. Over de moord op Romero en de reactie van de VS: ibid., p. 102 e.v..; Manufacturing Consent, p. 48 e.v. |
| 23 | Douglas Grant Mine, AP, 23 maart, p. 24; Americas Watch, A Year of Reckoning, maart 1990. |
| 24 | Ik zag één aankondiging van de herdenking, op de pagina’s over religie in de Boston Globe, door Richard Higgins, die werkt aan een boek over Romero: "Religion Notebook". BG, 24 maart 1990, p. 27 |
| 25 | Voor verwijzing hier en verder, waar niet al geciteerd, zie Turning the Tide; Necessary Illusions. Voor Lansing and Wilson, Lloyd Gardner, Safe for Democracy (Oxford, 1987), pp. 157, 161, 261, 242. Gaddis, p. 14 f. |
| 26 | Samuel Huntington, in Crozier, Huntington and Watanuki, Crisis of Democracy (zie: Deterring Democracy, Inleiding, noot 1) |
| 27 | Wall Street Journal, 13 december 1973. |
| 28 | Zie mijn bespreking in: Grand Street, winter 1987. |
| 29 | Aangehaald door Herbert Schiller, The Corporate Takeover of Public Expression (Oxford, 1989). |
| 30 | McCann, An American Company (Crown, 1976), p. 45. Over de potsierlijke vertoning van de media, zie ook: Turning the Tide, p. 164f. Ook: William Preston en Ellen Ray, "Disinformation and mass deception: democracy as a cover story," in Richard O. Curry, ed., Freedom at Risk (Temple, 1988). |
| 31 | Rossiter & Lare, The Essential Lippmann. |
| 32 | Aangehaald uit geheime documenten door R.R.A. Marlin, "Propaganda and the Ethics of Persuasion," International Journal of Moral and Social Studies, Voorjaar 1989. Voor meer over deze kwesties, zie "Intellectuals and the State." |
| 33 | Zie Deterring Democracy, hoofdstuk 8, p. 261; hoofdstuk 11, p. 346f. |
| 34 | Galeano, Days and Nights of Love and War (Monthly Review, 1983). |
| 35 | Zie: Turning the Tide, pp. 162f. |
| 36 | Gerschenkron, Economic Backwardness in Historical Perspective, pp. 146, 150. |
| 37 | Ron Rosenbaum, recensie van Ellis Cose, The Press, NYT Book Review, 9 april 1989. De volledige tekst is zelfs nog misleidender, waarin de schrijver de nadruk legt op "de relatie tussen de marktgerichte structuur van de pers en haar traditionele Jeffersoniaanse rol (…)" Over de onwaarschijnlijke wijze waarop kritiek op het beschrijvende dogma wordt ontdoken, zelfs in de wetenschappelijke wereld, zie Necessary Illusions, Appendix I, sectie 2. Over Jefferson en de pers, zie Leonard Levy, Jefferson and Civil Liberties: the Darker Side (Harvard, 1963; Ivan Dee, 1989); Levy, Emergence. |
| 38 | Linsky, Boston Globe, 7 juli 1990. |
| 39 | Zie Turning the Tide, hoofdstuk 5; Thomas Ferguson en Joel Rogers, Right Turn (Hill & Wang, 1986); Michael Benhoff, Z Magazine, maart 1989 (letters); Ferguson, Socialist Review 19.4, 1989 |
| 40 | George Tanham en Dennis Duncanson, "Some dilemmas of counterinsurgency," Foreign Affairs 48.1, 1969 |
| 41 | Gerschenkron, Economic Backwardness in Historical Perspective, pp. 28-9. |
| 42 | Maynes, Foreign Policy, Spring 1990. Zie mijn Deterring Democracy, hoofdstuk 9, p. 309. |
| 43 | Voor verder details, zie mijn Culture of Terrorism, 77-8; en over het begrip democratie zoals begrepen door Kinsley en zijn collega’s, zie Deterring Democracy, hoofdstuk 10. |
| 44 | Voor details over Laquer’s onwaarschijnlijke goedpraterij van terreur in wat wordt beschouwd als serieuze wetenschap, zie mijn Necessary Illusions, 113, 277f. Wesson, "Historical Overview and Analysis," in Jan Triska, ed., Dominant Powers and Subordinate States, 58-9. Over de Amerikaanse terreur-operaties gericht tegen Cuba, zie Necessary Illusions, 274f., en de daar aangehaalde bronnen. Over dit en andere maatregelen, waaronder economische blokkade’s over de hele wereld, zie Morris Morley, Imperial State: The United States and Revolution and Cuba, 1952-1986 (Cambridge, 1987). |
| 45 | Voor een recente bespreking, zie mijn Pirates and Emperors; Necessary Illusions, 269f.; Edward Herman en Gerry O’Sullivan, The "Terrorism" Industry (Pantheon, 1990); Alexander George, ed., Western State Terrorism (Polity press, 1991). |
| 46 | Carlson, U.S. Naval Institute Proceedings, September 1989; Los Angeles Times, 3 sept. 1989; AP, 23 April 1990; Philip Shenon, NYT, 6 juli 1990. |
| 47 | Melman en Raviv, BG, 5 augustus 1990. |
| 48 | Third World Resurgence (Maleisië), Oktober 1990. |
| 49 | Chomsky en Herman, Political Economy of Human Rights. |
| 50 | Voor een overzicht en verdere bespreking, zie Manufacturing Consent, hoofdstuk 6, sectie 2; Necessary Illusions, 154ff. |
| 51 | Een treffend voorbeeld was de reactie op de slachtingen in 1965, en op het nieuwe bewijsmateriaal over de Amerikaanse deelname daaraan zoals die in 1990 werd onthuld. Voor een bespreking ervan, zie mijn artikel in Z magazine, Sept. 1990. Zie ook Ellen Ray en William Schaap, en Ralph McGehee, in Lies of our Times (augustus 1990), over de New York Times coverup |
| 52 | Zie mijn "Responsibility of Intellectuals," herdrukt in American Power and the New Mandarins en Chomsky Reader (Rowe); en "Objectivity and liberal scholarship," in American Power (Wolf). |
| 53 | Gardner, Safe for Democracy, 244f., 255. |
| 54 | Freed, LAT, 14 April 1990 |
| 55 | Freed, LAT, 7 mei 1990; Lindsey Gruson, NYT, 5 juli 1990. Voor een analyse van de observaties van Gruson over de "tekortkomingen" van de Guatemalteekse democratie in eerdere artikelen, zonder de verantwoordelijkheid van de VS of haar hang naar democratie aan de orde te stellen, zie Edward Herman, "Gruson on Guatemala," Lies of Our Times, augustus 1990. |
| 56 | Voor uitgebreide bronnen over de hier besproken zaken, zie Necessary Illusions. |
| 57 | Edward Mitchell, Asian Survey, augustus 1967. |
| 58 | Zie Necessary Illusions, 62f., 111f., 263ff.; mijn "Letter from Lexington" in Lies of Our Times (juli, 1989); Winson, Coffee & Modern Costa Rican Democracy, 54-5. |
| 59 | Zie mijn Turning the Tide, 106f., 109ff.; Necessary Illusions, 78-9. |
| 60 | Martin-Baró, Symposium, Berkeley, California, 17 januari 1989, gesponserd door de Mental Health Committee of the Committee for Health Rights in Central America (CHRICA, San Francisco), die het transcript beschikbaar stelde. |
| 61 | Martin-Baró, "From Dirty War to Psychological War," essay dat werd voorgedragen op het 21st Congress van de Interamerican Psychological Society, Havana, 1987; herdrukt in Adrianne Aron, ed., Flight, Exile, and Return, CHRICA, 1988. |
| 62 | Socorro Juridico, opereerde onder de jurisdictie van het bisdom van San Salvador, essay werd voorgedragen op een International Seminar on Torture in Latin America in Buenos Aires. Shultz, voordracht van 14 april 1986. Zie voor meer details mijn Necessary Illusions, 69f. |
| 63 | Martin-Baró, "Mass Media and Public Opinion in El Salvador," aangehaald in Interamerican Public Opinion Report, januari 1990. Over de vernietiging van de Salvadoraanse media, en de reacties daarop in de Amerikaanse media, zie Necessary Illusions, 41-2. |
| 64 | Americas Watch, A Year of Reckoning. Over de slachting aan de Sumpul rivier, zie mijn Towards a New Cold War, en Turning the Tide. |
| 65 | Lawyers Committee, brief van 20 april aan de Minister van Defensie Richard Cheney; El Salvador on Line (Washington), 30 april ; Alexander Cockburn, Nation, 14 mei 1990. Pater de Cortina, Cape Codder (Orleans, Mass.), 1 mei 1990. |
| 66 | Robert Kahn, Pacific News Service, 9-13 juli; Mary Cabezas, Guardian (London), 1 augustus, 1990. |
| 67 | COHA News and Analysis, 21 juni; Andrew Blake, BG, 12 juli, 16 maart; Lawrence Ross, San Francisco Chronicle, 12 juli; Alexander Cockburn and Richard McKerrow, In These Times, 1 augustus 1990. Getuigeverklaring van Martinez van 18 augustus 1989, met de uitvoerige beschrijvingen van de doodsescaders waarvan hij onderdeel was, is beschikbaar bij het Marin Interfaith Task Force on Central America, 25 Buena Vista, Mill Valley CA 94941. Over de eerste reacties op de onthullingen van Martinez, voordat de Jesuiten werden vermoord, zie hoofdstuk 10 van mijn Deterring Democracy, p. 292f. Zijn eigen zaak is op het moment van schrijven nog onbeslist. |
| 68 | Boston Globe, 14 augustus 1990. |
| 69 | Giorgio Amendola, Storia del PCI (Riuniti, Rome, 1979), 142, geciteerd door Kelly, The Anti-Fascist Resistance, 10. |
| 70 | Daniel Santiago, "The Aesthetics of Terror, the Hermeneutics of Death," America, 24 maart 1990. |
| 71 | Toronto Globe & Mail, 3 februari; AP, 2 en 3 februari 1988. Zie mijn artikel in Z Magazine, maart1988, voor veel meer details hierover en over andere gevallen. |
| 72 | Schoultz, National Security and United States Policy, 88f. |
| 73 | Ellacur¡a, "The UCA Regarding the Doctorate given to Monsignor Romero," maart 1985; herdrukt in het Nicaraguaanse Jesuitenblad Env¡o, januari 1990; Brockman, op. Cit. |
| 74 | Gleijeses, Politics and Culture in Guatemala (Michigan, 1988), onder auspiciën van het ministerie van buitenlandse zaken. |
| 75 | Zie Necessary Illusions, 263f.; en mijn Culture of Terrorism, 127. |
| 76 | Ibid. Voor nog meer voorbeelden, zie mijn On Power and Ideology, 22f.; Necessary Illusions, 67-8, Appendix V, sec. 1. |
| 77 | Special Report of Interagency Committee on Intelligence (Ad Hoc), Voorzitter J. Edgar Hoover, samen met de directeuren van de CIA, DIA, and NSA, samengesteld voor de president, 25 juni 1970, aangeduid als "Top Secret." Een gecensureerde versie werd later vrijgegeven. Citaten komen uit Book 7, Part 1: Summary of Internal Security Threat. Voor een uitgebreide discussie, zie mijn inleiding op N. Blackstock, ed., COINTELPRO (Vintage, 1976); Kenneth O’Reilly, Racial Matters (Free Press, 1989). |
| 78 | Zie de referenties in Deterring Democracy hoofdstuk 1, noot 85. |
| 79 | Gregory Treverton, Covert Action (Basic Books, 1987), 18. |
| 80 | Memorandum for Assistant to the President for National Security Affairs, 25 juni 1960, Secret. |
| 81 | CIA, Review of the World Situation, 17 augustus 1949. |
| 82 | Bryce Wood, The Dismantling of the Good Neighbor Policy (U. of Texas, 1985). NSC 141/1, "Progress Report," 23 juli 1953. |
| 83 | Turning the Tide, 198f; Latinamerica press (Lima), 24 december 1987. |
| 84 | Kinzer, NYT, Jan. 10, 1988. Er is geen twijfel aan dat Kinzer op de hoogte is van de feiten, hij was co-autheur van een belangrijk boek over het onderwerp: Stephen Schlesinger and Stephen Kinzer, Bitter Fruit (Doubleday, 1982). |
| 85 | Gaddis, Long Peace, 37. |
| 86 | Voor een uitgebreide discussie, zie mijn Problems of Knowledge and Freedom, memorial lectures for Russell delivered at Trinity College, Cambridge (Pantheon, 1971). |
| 87 | James Harris, Ralph Cudworth. Zie mijn Cartesian Linguistics (Harper & Row, 1966), en voor aanvullende discussie, "Language and Freedom," herdrukt in For Reasons of State en de Chomsky Reader. |
| 88 | Voor een uitgebreide discussie en verwijzingen, zie Necessary Illusions, appendix V, sec. 8. |
| 89 | Levy, Emergence of a Free Press, xvii, 9, 102, 41, 130. |
| 90 | Ibid., 178-9, 297, 337ff.; Levy, Jefferson and Civil Liberties, 25f. |
| 91 | Levy, Emergence, 6, 167. |
| 92 | Voor een paar van de velen voorbeelden die genoemd kunnen worden in het geval van Frankrijk, zie Necessary Illusions, 344. Over de Rushdie affaire, zie Christopher Frew, "Craven evasion on the threat to freedom," Scotsman, 3 augustus 1989, waarin wordt gerefereerd aan het schandalige gedrag van Paul Johnson en Hugh Trevor-Roper – niet de enigen. High Court, NYT, 10 april 1990. O’Brien geciteerd in British Journalism Review, Vol. 1, No. 2, Winter 1990. |
| 93 | Levy, Emergence, 226-7; Harry Kalven, A Worthy Tradition (Harper & Row, 1988), 63, 227f., 121f. In een kort commentaar zoals dit is het onmogelijk om alle aspecten over de vrijheid van meningsuiting uitputtend te behandelen. Zoals opgemerkt komen er meer ingewikkelde vragen aan de orde zoals bijvoorbeeld uitingen die oproepen tot handelen (bijvoorbeeld, een gewapende moordenaar opdracht geven om te schieten), of bijvoorbeeld het recht op bescherming van de privesfeer in overweging nemen, en andere zaken. |